Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der aardrijkskunde
Auteur: Best, P.
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1884
32e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1664
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204101
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: (sociale) geografie: algemeen
Trefwoord: Geografie, Leerplannen
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
20 grondbeginselen der
Het verdient opmerking;, dat Europa's meeste meren liggen in de Alpen
en om de Oostzee.
Rivieren:
■Zich ontlastende in de Spaansche zee: de Guadalquiver, de Guadiana,
de Taag, de Mondego, de Duero, de Minho.
In de Bocht van Franh'ijlc: de Adour, de Garonne, de Charente, de Loire.
In het Kanaal: de Seine, de Somme.
In de Noordzee: de Schelde, de Maas, de Rijn, de Eeins, de "Wezer,
de Elbe, de Theems en de Humber,
In de Oostzee: de Oder, de Weichsel, de Pregel, de Niemen of Memel,
de Duna, de Newa, de Tornea, de Uniea, de Angerman, de Indal, de
Dal-Elf; de Gotha-Elf en de Glommen monden uit in 't Skagerrak.
In de Noordelijke IJszee: de Onega, de Dwina, de Petsjora.
In de Middellandsche zee: de Ebro, de Rhône, de Arno, de Tiber.
de Po, de Etsch.
In de Zwarte zee: de Donau, de Duiester, de Bug, de Dnieper.
In de zee van Azof: de Don.
In de Kaspische zee: de Wolga, de Oeral.
Les.
Luchtsgesteldheid, Europa ligi grootendeels in de noordelijke gematigde
luchtstreek, daar slechts een twaalfde gedeelte tot de bevrozene lucht-
sti-eek behoort. Men kan naar het klimaat in Europa vier deelen onder-
scheiden, als: 1. De Poolstreek van 65° N. B. tot het uiterste
Noorden. In deze luchtstreek groeit weinig en bevriest sotns het kwik-
zilver. 2. De koele luchtstreek van 55o N. B. tot 65° N. H. ; in deze
groeit eenig graan en veel naaldhout. 3. De gematigde luchtstreek van
45° N. B. tot 55° N. B. In deze komt veel loofhout en de tarwe voor.
In het Zuiden dezer streek groeit de wijndruif. 4. warme luchtstreek
ten Zuiden van 45° N. B. In den winter heeft men in deze luchtstreek
zelden vorst of sneeuw, meestal regen. De zuidvruchten, die warmte,
vereischen, komen in deze luchtstreek tot rijpheid. — In de bergstreken
neemt de warmte af bij toenemende hoogte, zoodat in de Alpen de hoogste
hellingen altijd met sneeuwijs bedekt zijn (gletschers). — Europa's west-
kust en de westelijke hellingen der bergketens zijn het rijkst aan regen;
vooral iu de Hebriden, aan de kusten van Portugal en Noorwegen, in
de Zwitsersche- en West-Alpen valt veel water.
Voortbrengselen, Uit het dierenrijk: paarden, ezels, rundvee, schapen.