Boekgegevens
Titel: Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Deel: 2 Verba op -mi en onregelmatige verba / door J.W. Beck
Auteur: Beck, J.W.; Wageningen, Jacobus van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 112 : 1e dr. (dl II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204062
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
()0
73.
1. Als gij in een goeden roep wilt staan ^, leer+ (dau) te
prijzen ^, en ^ als * gij geleerd hebt te prijzen, beproef (dan)
goed te doen; zoo zult gij een'® goeden naam' verwerven''.
2. Als* gij (het) rechtvaardige (pl.) doet + ®, zult gij God
(tot) bondgenoot krijgen'®'» (trim. iamb.). 3. Denk (= meen)
niet, (dat het) God ontgaat , als * gij een meineed doet
4. Toen* Bias door een goddeloos mensch gevraagd werd+, wat
is toch'' (wel) vroomheid, zweeg hij; toen** gene nu ^ naar de
reden van het stilzwijgen ® vorschte +, zei hij: „ik zwijg, omdat
gij vorseht naar ® (dingen), die* u niet[s] aangaan5. Als* gij
een ambt gekregen hebt'®'*, wees dat (dan) waardig! 6. Socrates
zei, dat bestuurders niet zij waren, die* bij (= door) 't lot
waren + verkozen, maar zij, die* wisten te regeeren. 7. Wat
gij van plan zijt" te doen, zeg (dat) niet'"' vooruit; immers als*
gij uw doel mist +, zult gij uitgelachen worden. 8. Gelukkig hij,
dieeen goed vriend verworven heeft+. 9. Geef dat, als* gij
(het) gekregen hebt+, terug + en gij zult 't weer (ttäA/v) krijgen.
10. Wij zullen de weldaden nooit vergeten'®'". 11. De Atheners
kregen + de hegemonie tengevolge van" den haaf' tegen Pau-
sanias-''.
' xäa«? xkovu. 2 xsycii. 3 4 xxptróofixi. ® Bpxcc.
® STTtopKea. 7 .^rcTé. ® >5 tnyvj. ^ Trspi c. gen. ■7rpo<r-\ï>i£i. " fiéxxcc.
aVr;?. c. acc. to /^üitoc (vgl. odium c. gen. obiect.).
74.
1. Geen grooter geschenk kunt®®" gij van Zeus verkrijgen +
dan de deugd. 2. Als* gijl. rechtvaardig handelt+ , zult gij de
goden (tot) bondgenooten hebben'®'". 3. Denkt nooitdat gij",
als®"* gij iets schandelijks gedaan hebt+, verborgen blijft (perf ).
4. Als'-* gij geleerd hebt te gehoorzamen, zult gij weten te
gebieden. 5. Niet hij, die-"" door het lot een ambt heeft gekregen,
maar wie weet te gebieden, zal heerschen. 6. Geef+ en neem + ;