Boekgegevens
Titel: Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Deel: 2 Verba op -mi en onregelmatige verba / door J.W. Beck
Auteur: Beck, J.W.; Wageningen, Jacobus van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 112 : 1e dr. (dl II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204062
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
rnijii zeven broeders. Mijn moeder stierf + getroffen + door een
pijl van Artemis; heb (dus) medelijden + met mij en uw kind
en blijf+ in de stad.
H. Gij spreekt de waarheid (= waar: n. pl.), hartelijk ge-
liefde (superl.) vrouw; maar ik moet mij schamen (=:ik sch mij)
voor de Trojanen, als (èctv) ik den slag ontvlucht en mijn
hart spoort mij aan (= beveelt) onder de voorsten te strijden.
Ik weet (zeer) goed, dat (toch eenmaal de) dag zal aanbreken
(= zal zijn), waarop het heilige llium (>? "iMoc) en Priamus en
het leger van Priamus niet meer zal bestaan. Doch met mijn
vader en mijn moeder heb ik niet zooveel medelijden als met
u, wanneer {otxv) een der Achaeërs u als gevangene wegvoert.
Als (sxv) gij (dan) als slavin* in Argos weeft of water draagt,
zal menigeen (t;c) naar (sU) u ziende + zeggen: dat is (de)
vrouw van Hector, die door dapperheid uitblonk + onder de Tro-
janen, in den strijd* voor zijn vaderland, toen (SVf) de Achaeërs
om (§;«) Helëna tegen (sV/) llium te velde trokken^. Maar ik
zou bereid zijn (S-iA«) te sterven+ , alvorens uw gejammer te
(moeten) aanhooren+ (inf.).
A. Zie uw kind aan+ en heb medelijden+ ! Maar zet eerst
uw helm af + , Hector! Gij ziet (niet waar?), (dat) het knaapje
bevreesd is* voor het metaal en den helmbos.
H. {zet den helm af* en houdt* het kind in zijn armen (= handen)).
O Zeus en (gij) andere goden, geeft +, dat ook mijn dierbaar kind
eens uitblinkt + boven alle Trojanen, wanneer* het voor 't vader-
land strijdt, zoodat eenmaal menigeen, die* mijn zoon uit den
oorlog ziel terugkeeren+ *, zal zeggen: hij is (nog) veel dapperder
dan zijn vader (H. geeft het knaapje aan A. terug). Gij, mijn
beste vrouw, houd + op met weenen + *, en wees niet {fji-vils) al te
bedroefd! Immers geen der Achaeërs zal mij dooden, als de goden
't niet willen, en (Sf) niemand zal het noodlot ontvluchten.
Ga* nu naar huis (en) bemoei u met uw eigen werk (pl.) en
gelast de slavinnen haar werk te verrichten, want de oorlog is
de taak der mannen en vooral van mij. Vaarwel!