Boekgegevens
Titel: Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Deel: 2 Verba op -mi en onregelmatige verba / door J.W. Beck
Auteur: Beck, J.W.; Wageningen, Jacobus van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 112 : 1e dr. (dl II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204062
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
daar ^ hij door Hera roem zou erlangen {■urdioßix.i). 3. Wien
zoudt gij liever uwe bezittingen toevertrouwen dan den recht-
vaardige? 4. Ieder, die"* iets goeds wil leeren, hoede zich (stil)
te zitten in onverschilligheid 5. Cerberus liet wel alle gestor-
venen in den Hades, maar geen enkele liet hij er uit. 6. Ik wil
liever op stroo ® liggen met goeden moed' * dan op een gouden
rustbed ® vol onrust ® *. 7. De edele knapen bewijzen hunnen
ouders dank, doordat* zij, ouder geworden", hun het loon voor
hunne opvoeding ^^ betalen. 8. Wanneer zal aan uwe ouders dank
bewezen worden ? 9. Deel aan de armen mede van de goederen,
die (N.B.) gij hebt (ook: men moet mededeelen; laten wij mede-
deelen). 10. Vele wetenschappen zijn in bloei toegenomen, vooral
de natuurkunde'^. 11. Den mensch is door God zooveel gegeven,
daf* 't onmogelijk is'® naar behooren* dank te brengen. 12 Mogen
de goden mij toch een ongeluk zenden (= geven), zeide Poly-
crates. 13. Het met welwillendheid'® gegevene+ schenkt de
meeste " vreugde.
' 2 3 p^j-t. fut. '' o: h. ® = verslapt wat
de ziel betreft. ® ^ crrißcc:. ^ Srxppéu. ® axivyj. ® TxpxTrof/,xi.
^^^ siiys'jij:. ^^ xaTx-yvipoitrx:!}. tÄ Tpo^sïx. tä (putrixx. '''iVrf.
oJév T£ s(TTi(y'^. jtifT' suyvwij.oa'óv^c. " ptf/«.
47.
1. Na Darius besteeg + Artaxerxes den troon. 2. Wanneer
staat gij op? Wel', mijn vriend, met ^ {het aanbreken van) den dag.
Waarom? Omdat zij, die* een gat in den dag^ slapen''j dom®
worden 3. Wie zou den tijd kunnen doen stilstaan f 4. Waar
zult gij staan in den slag? 5. De koning en zijne omgeving''
stonden in den slag midden in het leger. 6. Wie* staat,
moet zich hoeden te vallen ® +. 7. Wie * over anderen is aan-
gesteld , moet zich zelf kunnen beheerschen 8. De Atheners
' iAA'lywyf. 2 ^^^ (. (lat. ^ sk ro (pü:. ^ xxS'svSüj. ®
® door y.xè-i(Tr>i[it. ^ o'i Trspi rivx. ® door den coni. aor. met !/.yi.
® door êyy.pxryii; rivoc.