Boekgegevens
Titel: Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Deel: 2 Verba op -mi en onregelmatige verba / door J.W. Beck
Auteur: Beck, J.W.; Wageningen, Jacobus van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 112 : 1e dr. (dl II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204062
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
0. De rivier de Nijl^" stort zich met (= door) zeven monden in de
zee uit. 10. Men zegt, dat {dicitur!) het attische land 't eerst
den olijfboom voor de menschen voortbracht (= liet opschieten+ ).
25.
1. Toen* Archidamus, de spartaanschekoning (= k. v. S.),
bemerkte + ', dat* zijn zoon zonder overlec/^ streedtegen de
Atheners, zeide hij: gij moet ^ of uw kracht vermeerderen + (= voeg
toe aan) of uw overmoed'' laten varen + 2. De Atheners
streefden (er naar om) over Sicilië het bewind te voeren^^^. 3. Toen''
Agesilaus, nadat* hij over den Hellespont was gestoken+ door''
Thracië trok®, beloofden+ ® sommige (= de andere) barbaren,
dat zij hem door zouden laten trekken^*, alleen de Tralliërs
[echter] (§f) verlangden +eene belooning" voor (= van) den
doortocht 4. Socrates zeide korten (= wehdg) tijd voor zijn
dood: geen enkel mensch (= van de m.) kan''' ik toegeven+ ,
(dat hij) of (= noch) beter of (= noch) aangenamer dan ik
geleefd heeft. 5. Demosthenes zeide: als ' wij, mannen van
Athene, ook de Olynthiërs prijsgeven (fut.), zooals wij reeds
veel (n. pl.) hebben prijsgegeven+, wat belet (dan) Philippus
nog (om) te gaan'^, waarheen hij wil?
' ^exofixi. 2 3 Imperativus. ^ ro (ppévvu^x. ^ sirti.
^ "hix-Trepxiiotixi rov 'E?.X>j(r7r0VT0v. ^ §/« c. gen. ® Tropiuoßxi.
® l-K-xyykXXoyi.xi. 'o xnkai. " h fz,i(TÖóc. >5 S/oSc?. ^p^^ 14 Qp^^
26.
1. Wie zou zijn eigen (aangelegenheden) verwaarloozen en
zich' om die van anderen bekommeren2. Een dwaas is hij,
die-''® zijn eigen broeder verwaarloost en een ander (als) vriend
zoekt. 3. Laat niet^-* het zekere (pl.) varen, tferwijl-"'^ gij 't on-
zekere (pl.) najaagt. 4. Laten wij niet naar 't onbereikbare ^ (pl.)
' zich bek. om iets = Cppovri^u rtvóg. ^ ^s^vxto? (2).