Boekgegevens
Titel: Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Deel: 2 Verba op -mi en onregelmatige verba / door J.W. Beck
Auteur: Beck, J.W.; Wageningen, Jacobus van
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1893
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 112 : 1e dr. (dl II)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204062
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Opstellen ter oefening in de Grieksche vormleer
Vorige scan Volgende scanScanned page
88
alsof*38 ik een god was, maar (gaarne) toegevende^® een
(gewoon) mensch te zijn. Alexander, die* het rijk van zijn
vader kreeg+ , vergrootte + (dat) en breidde 't ver (jroxü)
+ geholpen+ door de fortuin. Toen^^ ijjj ^u overwinnaar
was+ en over dien Darius bij Issus en Arbëla had gezegevierd+
liet hij zijn vaderlijk erfdeelin den steek* + ; hij verlangde (als
een godheid) aangebeden te worden ^^ en volgde + een perzische
leefwijze, enz.
Ik heb als opperbevelhebber de (belangen) van den staat altijd
zoo goed (= schoon) mogelijk behartigd +En toen" het
vaderland mij opriep''®, daar** de vijanden met een groote
macht (s o-raAa?) naar Libye zeilden + (êTrt-Trxéu), gaf ik dadelijk
(daaraan) gehoorEn dat deed ik als barbaar (= b. zijnde) en
onbekend^® met de grieksche beschaving, ofschoon* ik noch
Homerus kon voordragen'-^ noch door den wijsgeer Aristoteles
was opgevoed + en alleen in 't bezit+ van een goed verstand.
Dat (pl.) is 't, waarin (acc.) ik beweer beter dan Alexander
te zijn.
105.
VERVOLCx.
M Hij heeft ilink gesproken'. Nu (vert.: gij), Alexander,
wat hebt gij hierop te zeggen
A. (Eigenlijk) moest men, Minos, zoo'n onbeschoft (man)
niet antwoorden+. Immers de faam kan u voldoende inlichten
welk^ een koning ik was + , welk'' een roover® (daarentegen)
deze man hier. Evenwel®, let (eens) op (= zie), of ik weinig'
van hem verschilde +, (ik), die ofschoon * nog jong [zijnde] aan
't bestuur kwam*+ (en) niet wenschte+ te heerschen over het-
geen® mijn vader achterliet+, maar de geheele wereld (vvenschte
te) onderwerpen+. Met (= voerende) (slechts) weinigen viel ik +
in Azië, en behaalde + eene schitterende overwinning® bij den
GranTcus en na* Lydië en de andere landstreken veroverd te
hebben+ , rukte ik+ naar Issus, waar Darius met vele tiendui-