Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
en hunne betrekkelijke waarde daarbij met juistheid
in het licht treedt, wordt daardoor als van zelf op
de toepassingen gewezen, worden deze als het ware
uitgelokt. Duidelijk blijkt dit bij natuurwetten. Een
maal de wet van terugkaatsing van het licht scherp
gesteld zijnde, waarbij in mathematischen vorm het
verband der verschillende daarbij voorkomende groot-
heden gegeven is, volgt uit dit zoo hoogst eenvou-
dige verband een reeks van toepassingen, die wij bij
de spiegelinstrumenten grootendeels terugvinden. —
De toepassingen komen daarbij niet alleen als in
logische orde te voorschijn, doch op deze wijze ge-
lukt het ook in het wezen der toepassing door te
dringen. Dat dit voorregt uitstekend en van hooge
waarde is behoeft inderdaad geen betoog en bewon-
deren wij het genie dat zonder hulp der wiskunde
de natuurwetenschappen weet toe te passen en stellen
wij dit hooger dan de pogingen van den dorren
rekenaar, die de krachtige medewerking der wiskunde
behoeft om de natuurkrachten ten nutte van het
menschdom aan te wenden, het kan niet ontkend
worden dat de weg, dien de laatste bewandelt snel-
ler , zekerder, vooral vollediger is dan die van hem,
die op goed geluk af, zij het nog zoo vindingrijk,
een greep in de wetenschap doet om daarvan partij
te trekken.
Zagen wij in het eerste gedeelte onzer rede dat
de wiskunde voor den natuuronderzoeker onmisbaar
is en gingen wij in het tweede gedeelte na hoe zij