Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
meest verschillende omstandigheden hebben plaats ge-
had, de waarneming moet zich over een zoo ruim
mogelijk veld hebben uitgestrekt in betrekking tot
tijd en plaats. Vinden wij dan altijd tusschen de
getallen die ons de empirische formule geeft en die
der waarneming verschillen zoo gering, dat zij aan
waarnemingsfouten kunnen worden toegeschreven , zoo
bereikt de waarschijnlijkheid dat die overeenstemming
ook daar zal gevonden worden, waar wij met onze
waarneming nog niet reikten den hoogsten graad.
Op die hoogte staat zij voor ons met zekerheid gelijk
en is de empirische formule niet beneden de zekerste
natuurwet te stellen.
In de meeste gevallen mag echter het bereiken
dier hoogte eene zeldzaamheid genoemd worden. La-
tere waarneming der bijzondere gevallen ons door de
omstandigheden van het verschijnsel zelf aangegeven
kan ons dan veelal helpen; de empirische formule
geeft door haren wiskundigen vorm daartoe uitste-
kende aanleiding. Bovendien leidt dezelfde weg ons
dikwijls door nieuwe meting tot de bepaling der con-
stante grootheden, waarmede de veranderlijke groot-
heden in de empirische vergelijking verbonden zijn.
Merken wij verder op, dat wij dikwijls in den vorm
der vergelijking reeds aanleiding vinden tot hare deug-
delijkheid als natuurwet te besluiten. In verband
toch met wat wij van de natuur reeds weten, mogen
wij, mits wij hierin niet te ver gaan van eene een-
voudige betrekking veel, van eene zamengestelde min-
der verwachten.