Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
Teregt is opgemerkt dat de vrijheid, die vi^ij hier
bezitten, niet die van den slaaf is, die zijn boeijen
verbrak, maar veeleer van den man die in zelfbe-
dwang en ondergeschiktheid werd groot gebragt. De
onderstellingen, die men maakt omtrent eene moge-
lijke oorzaak of omtrent de mogelijke wet, volgens
welke eene bekende oorzaak werkt, met andere woor-
den de hypothese, die men vormt moet natuurlijk
zijn en dus overeenkomen met hetgeen ons de natuur
bij soortgelijke verschijnselen als oorzaak of als wet
van werking heeft geleerd. Eenvoud is ook hier het
kenmerk van het ware en terwijl men er vroeger op
uit was de hypothesen te verveelvoudigen is men thans
in het waarachtig belang der wetenschap er veeleer
zoo voorzigtig mogelijk mede. Uit dergelijke hypo-
thesen worden de verschijnselen langs logischen weg
door redenering afgeleid; zullen zij waarde hebben
zoo moet dit met gemak geschieden, terwijl zij dan
eerst groote beteekenis krijgen, wanneer zij op nieuwe
feilen wijzen, die door latere opzettelijk ingestelde
waarneming bevestigd worden.
De verklaring der natuurverschijnselen uit natuur-
wetten en nog veeleer die uit eenvoudige grondoor-
zaken, is het wat men zich bij de beoefening der
natuurwetenschap als einddoel voorstelt. Zijn de na-
tuurwetten door ervaring en inductie tot stand geko-
men en heeft ons verstand, geleid door de kennis
der natuur onze hypothesen gevormd, in die natuur-
wetten en hypothesen hebben wij als eene nieuwe
bron van kennis, wier deugdelijkheid door latere