Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
scheii veranderlijke grootheden daarstellen vormen de
eerste ontwikkeling der natuurkennis uit de enkele
feiten van waarneming. Zij maken, daar zij eene al-
gemeene uitdrukking voor een reeks verschijnselen
zijn, de physische onderzoekingen eenvoudiger en ge-
ven dus de physica zelve een karakter van eenvoud;
zij wijzen het eerst op een hooger band en geven
aanleiding tot een reeks gevolgen in bijzondere ge-
vallen. In iedere tak der physica vindt men zekere
groepen van verschijnselen, die door bijzondere wet-
ten bepaald zijn. Zoo heeft men bij de lichtverschijn-
selen die van terugkaatsing en breking van licht,
wetten thans geheel bekend en terwijl men ze als
grondwetten aanneemt wordt het gemakkelijk door
toepassing dier wetten de verschijnselen der reflectie
bij een willekeurig gebogen oppervlak, de wetten van
voortplanting van licht door eene willekeurige reeks
van middenstoffen te verkrijgen, zonder dat het noo-
dig wordt voor deze bijzondere gevallen de ervaring
op nieuw te raadplegen.
Wij kunnen dan in de ontwikkeling der natuur-
kundige wetenschap drie tijdperken onderscheiden.
Gedurende het eerste hebben wij alleen met empirie
te doen; door waarneming en proeven worden daad-
zaken gevonden en bijeen gebragt; daaraan sluit zich
zoodra toereikend materiaal voorhanden is, de philo-
sophische werkzaamheid der abstractie, het opzoeken
der hoofdwetten voor eene reeks uit gelijke oorzaken
voortvloeijende verschijnselen; op deze volgt dan een
tijd waarin men door logische gevolgtrekking, door