Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
nemen zooals zij zich aan ons voordoen zonder daarin
wijziging te brengen en dus eenvoudig waarnemen
zonder meer, óf wij kunnen die verschijnselen van
bepaalde invloeden afhankelijk maken en zoo de waar-
neming in proefneming veranderen. Beide handel-
wijzen verre van elkander tegengesteld te zijn, zijn
in wezen gelijk en verschillen veeleer in graad dan
in soort. Voor hetgeen zij tot vooruitgang der weten-
schap bijbrengen zijn zij echter gewoonlijk zoo uiteen-
loopende dat eene vergelijking in dit opzigt bijna
ongepast schijnt.
Aanvankelijk hielden zich de natuurwetenschappen
slechts met die verschijnselen bezig die voor ons oog
en zonder ons toedoen ontstaan. De waarnemer luis-
tert naar hetgeen hem de natuur vaak op duistere
wijze, afgebroken en na lange tijdsintervallen mede-
deelt , terwijl zijne aandacht meer of minder geves-
tigd is. Eerst naderhand verzamelt hij wat belangrijk
is en dikwijls beklaagt hij zich te laat dat de aan-
dacht niet bepaalder gerigt was op eenig punt dat
hem vroeger van minder belang scheen, doch waar-
van hij later de beteekenis waardeerde. Beperkt tot
deze waarneming zonder er invloed op uit te oefenen
kon de wetenschap weinig vooruitgaan ; meestal waren
toch ook de verschijnselen zeer zamengesteld en werd
het moeijelijk de omstandigheden die daarop invloed
hadden behoorlijk te scheiden.
In de 16® eeuw werd echter de mogelijkheid in-
gezien de natuurkrachten in werking te stellen en
deze werkzaamheid te leiden en te regelen. Bij de