Boekgegevens
Titel: De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Auteur: Grinwis, C.H.C.
Uitgave: Utrecht: Kemink en zoon, 1867
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. W.G. A t 10
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204013
Onderwerp: Wiskunde: wiskunde: algemeen, Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Wiskunde, Natuurkunde, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De waarde der wiskunde voor de beoefening der physica: redevoering ter aanvaarding van het hoogleeraarsambt aan de Utrechtsche Hoogeschool uitgesproken den 16den October 1867
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
die tot eene goede uitkomst geleidt. Gelijk ieder
weet, hebben wij hier bij uitstek met de ervaring te
doen; in de wiskundige wetenschappen is dit niet in die
mate het geval; hier gaat men van enkele grondbe-
grippen als van ruimte en tijd van getal en grootheid
uit, begrippen zeker door ervaring verkregen, doch
die niet enkel de vorm maar ook de bouwstof onzer
kennis zijn, zoodat daaruit door redenering zonder
meer de geheele wetenschap als een onbetwistbaar
wezenlijk gevolg wordt afgeleid. Wetten en regels
liggen in de gestelde begrippen opgesloten, het een
is het noodwendig gevolg van het ander, zoodat men
zonder met de ervaring verder te rade te gaan de
geheele wiskunde uit die gronden kan opbouwen.
Geheel anders met de natuurwetenschap. Ervaring
is hier de bron van kennis bij uitnemenheid, induc-
tie het bewijsmiddel, waarvan men zich bedient. De
natuur laat zich niet a priori construeren; enkele
grondbegrippen kunnen hier niet volstaan, een voort-
durend naauwkeurig onderzoek tot in de kleinste bij-
zonderheden is onmisbaar. Voor ons is de natuur
als een uiterst zamengesteld mechanisme, welks in-
rigting en drijfkracht ons aanvankelijk geheel onbe-
kend zijn. — Het doel is dat mechanisme uit een te
zetten en de bewegende kracht op te sporen. Het
behoeft dan geen betoog dat in de allereerste plaats,
bovenal ervaring noodig is, die dan de basis onzer
natuurkennis wordt.
Ieder weet dat die ervaring op twee wijzen kan
verkregen worden; óf wij kunnen de verschijnselen