Boekgegevens
Titel: Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Auteur: Hofstede de Groot, P.
Uitgave: Groningen: A.L. Scholtens, 1844
Opmerking: Overdr. uit: Nederlandsch tijdschrift voor onderwijs en opvoeding ; jrg. 1, 3e stuk
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Br. P.B. 14-2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203947
Onderwerp: Onderwijs: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van het onderwijs
Trefwoord: Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap, Redes (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Over de belangrijkheid, die het Nederlandsch onderwijzers-genootschap kan verkrijgen, voor de school, den staat en de kerk: redevoering ter opening der eerste algemeene vergadering van genoemd genootschap, den 31 mei 1844 te Groningen gehouden
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
zijn Kerkgenootschap ontvangen, en heeft dus de School
lelve veel te danken aan de Kerk, is zij niets zonder
godsdienst: omgekeerd heeft ook de Christelijke Kerk.
veel te danken aan ons Schoolwezen , 'twelk de ver-
schillen der Kerkgenootschappen verzacht en den band
der liefde in de kinderharten vastknoopt. Ware er eerst
geen algemeen Schoolwezen meer, men zou zien, hoe-
verre de Kerkgenootschappen zouden uiteenloopen en
al verder zich eenzijdig van elkander verwijderen !
Maar dit, der Christelijke Kerk zoo voordeelige,
Schoolwezen wordt belaagd, ondermijnd, aangevallen,
bestormd door hen, die hun Kerkgenootschap voor liet
eenige ware houden ; en het zal gewisselijk onder die
slagen bezwijken, indien geene krachtige verdediging
voor hetzelve opdaagt.
Die kan opdagen in ons Genootschap ; dit kan een
koperen muur worden rondom het sterk belegerde en
naauw ingeslotene Schoolwezen, ten einde het vrij te
houden en verder zelfstandig te ontwikkelen, ook ten
. iiutte der Christelijke Kerk.
Als ik al wat ik omtrent de belangrijkheid, die het
Onderwijzers-Genootschap kan erlangen, gezegd heb,
nu nog eens zamenvat, komt het op dit eene neder,
dat het ons, vroeger beschermd en geholpen, maar
nu veel meer aan zich zelf overgelaten Schoolwezen
vrij en zelfstandig kan doen worden, vrij van Staat-
kundige en Kerkelijke partijen, zelfstandig en krachtig
zich ontwikkelende in al wat waar en goed en schoon
is en ter vorming der menschheid strekken kan, en dat
ons Genootschap daardoor hoogst weldadig kan werken
voor de School in Nederland , welker voorstanders tot
dus verre in geenerlei naauw en vriendschaj)])elijk ver-
band stonden , voor den Slaat, die de vorming en wel