Boekgegevens
Titel: Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1861
3e dr
Opmerking: De 1e dr. (1850) o.d.t.: Driehonderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 92-155
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203906
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
dat de Burgemeester kwamen en den dokter eu
toen erkende de burgemeester die in de tiendag-
se veldslag bij de rijdende kavallerie te paarde
gediend had gehad, hem voor een ouden vriend
van hem en den dokter bevindt dat hij aan de
nog thans regerende ziekten onderhevig was. En
toen stuifden al bijna de omstanders, en van af
dat uur meent ieder al de beginselen van be-
smeting al te voelen en is ieder vol angst en
vreezen voor ziekten , en dood, alsof zij nu eerst
sterven zouden kunnen en alsof een ware chris-
ten, dewelken weet dat ieder moment zijn laatste
oogenbhk kan zijn, en dus berijd moet weezen
elk uur voor den grooten stap.
Gisteren heeft de moeder des verstorven met den
wagen komen aanvaren en word zij van den
burgemeester ontfangen en moeder als zij was,
stroomde zij hete tranen. Toen deed de bur-
gemeester , edel man als hij is, alles dat in zijn
vermogen geweest is om der schreijende te troos-
ten en liet hij de Leeraar ook komen. Heden
is deze begraven geworden en zijn hem al de
hem na zijn stand toekomende eerbewijzingen
bewezen geworden.
299. Vele menschen leven, alsof zij nooit behoefden
te moeten sterven, en sterven alsof zij nooit
niet weer herleven zouden.
Mijne jeugdige vrienden! laat ons zoo leven dat,
gij elke oogenblikken moet sterven en teffens
als of gij noch menige jaren te leven had.
300. Onsterfelijkheid! — Vertroostende denkbeelt in
rampen en tegenspoed, met hetwelk de ster-
vling zoo vaak op deez' aards benedenrond moet
vechten. Wederzien! zich wederzien in de za-
ligheid ! O, Vader! laten wij dat geluk hebben.