Boekgegevens
Titel: Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1861
3e dr
Opmerking: De 1e dr. (1850) o.d.t.: Driehonderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 92-155
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203906
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
te wereld breugeii, die door den ouden gezuigt
worden en die daarom zoogdieren heetten.
Tot de tweede alle die dieren, welke insgelijksch
warm rood bloed heeft, doch welke eieren leg-
gen , met veeren bedekt en vogelen heeten.
Tot de derde klasse komen die amphibien of
tweeslagtige dieren , zijnde dezulken die op het
land en het water leven kout rood bloed heb-
ben en adem door longen halen.
Tot de vierde klasse behooren alle deze dieren,
met kout rood bloed, en door kieuwen adem-
halen , de visschen namentlijk.
Tot de vijfde klasse de insekten ofgekorreven
diertjens die koud witte bloed hebben, met
voelhoorens of sprietten aan de kop voorgezien
zijn en eens of meerjiaal in haar leven van de
gedaante verwisselt.
Tot den zesden eindelijk behooren de worms,
wezende die dieren, welke kout wit bloed,
gene voelsprietten maar meest voeldraden heb-
ben , en ook gene in gevrichten verdeelde be-
wegings werktuigen of voeten hebben.
153. Mijn vriend gaf men den schuit van valsheid en
bedrog maar beiden zijn zonder ongegrondheid.
156. Het is noodzakelijk, dat men op het end agt
te geven. Laten wij dies in alle dingen naar 't
einde letten en acht geven.
157. Menig een stelt zijne verwachtingen en hoopen
te hoog zoo dat hij ze meestijds: vaarwel? moet
toeroepen, ziende nooit derzelver verwezentlij-
king worden.
158. Als gij door geen lastertong niet ontzien wor-
det, vindt men hiervoor dikwijls geene andere
rede als deze : het zijn de slegtste vruchten niet
aan wie de wcpnen knagen.