Boekgegevens
Titel: Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Auteur: Allirol, J.
Uitgave: Tiel: Wed. D.R. van Wermeskerken, 1861
3e dr
Opmerking: De 1e dr. (1850) o.d.t.: Driehonderd volzinnen, spreuken, opstellen, enz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 92-155
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203906
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Linguïstiek, Spelling, Nederlands, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driehonderd volzinnen, zijnde spreuken, opstellen, enz.: ter verbetering voor de hoogste klasse eener lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Kalf en schaapsvleescli schijnt na den mosterd te rie-
ken , men werpt het schier malkander na den kop.
Zij zullen aan erten en Kaapen de mond naau-
welijksch eens steken,
"\A'ou je iemand onthalen, daar moeten Hazen,
Phaisanteu, patreizen en zulk goed zijn of
men zoud er schande van spreken.
De jongen vinkjens en kalkoentjes mogen juist,
Niet grooter weezen als een gemeene vuist.
Of ze zijn te taaij, en zoo men uit het lamsch-
, vleesch niet meer melk als bloet voor zijn
oogen zien lopen.
Men zout niet door den keel kunnen krijgen,
dan mogent slechte luiden kope.
113. Joris (haar broer, een oostinje-vaer).
Wel dat loop te hoog!
Neeltje.
Je zult het zeivers zien, as je bij je vrienden
word genoot.
Ze komen je voor den dag, met schootelen, die
zoo groot
En wijt zijn, dat ze niet op de tafel kunnen
rake.
Of ze moeten er eerst in de deur een kerf toe
laten make.
114. Joris.
Ge spreekt van de grootsten denk ik wel. Als
men 't uitvoeren kan
Is't nog iets, dat een, dien gezegend is met
schatten.
Wat meerder doet, gaat noch heen, schoons hij
zou ook te ver uit kunnen spatten.
Neeltje.
AYat noot was het dan, maar de Borgers doet
het den groeten na.