Boekgegevens
Titel: Dichtbij en veraf: kleine aardrijkskunde
Auteur: Doeleman, A.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3425
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203851
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dichtbij en veraf: kleine aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
De Hunze of Oostermoersche Vaart loopt door het Zuid-
laarder Meer, dat met het Schuitendiep is verbonden. Van
de stad Groningen loopt het water door het Eemskanaal
naar den Dollard.
In Friesland vinden we nog de Kuinder of hel Tjonger met
de Linde (tweelingrivieren) en de Boorne of het Koningsdiep.
§ 39. Eigenlijke berg- o( heuvelmeren bezit Nederland
bijna niet, wel veel plassen in het laagveen. Vooral Friesland
is rijk aan zulke plassen. De voornaamste zijn: het Tjeuke-
meer, het Slotermeer, het Fluessenmeer en hei Sneekermeer.
§ 40. Het is niet moeilijk te begrijpen, waarom de meeste
plaatsen in Nederland aan rivieren zijn gebouwd. Bijzonder
gunstig voor den handel liggen die steden, welke bij het
vereenigingspunt van twee of meer breede rivierarmen zijn
ontslaan (b.v. Dordrecht). Liet de moerassige gesteldheid van
de streek het bouwen van eene stad niet toe, zoo ontstond
er toch meestal eene dicht bij zulk een punt: Arnhem tegen
den hoogen rechteroever; Nijmegen aan den hoogen linker-
oever. Bij Utrecht, 's Hertogenbosch, Zwolle, Groningen,
Leeuwarden zien we eene menigte riviertjes en kanalen samen-
komen. De binnenlandsche handel is in die plaatsen dan ook
van beteekenis. In Amsterdam en Rotterdam reiken binnen-
en buitenlandsche handel elkaar de hand.
§ 'il. Nu en dan hebben we van kanalen gesproken.
Men kan de kanalen van Nederland lot drie soorten brengen.
Die van de eerste soort werden vooral gegraven, om den
handel te bevorderen; scheepvaart-kanalen: het Groot Noord-
IIoll. kanaal, hel Noordzeekanaal, hel kan. v. Zuid-Beveland enz.
De kanalen van de tweede soort moesten vooral dienen,
om de hooge venen van water te ontlasten en zoo de turf-
graverij mogelijk te maken: veenkanalen. Hiertoe behooren:
het Oranjekanaal, de Friesche Compagnonsvaarten, de Dedems-
vaart, het Peelkanaal enz.