Boekgegevens
Titel: Dichtbij en veraf: kleine aardrijkskunde
Auteur: Doeleman, A.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3425
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203851
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dichtbij en veraf: kleine aardrijkskunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
IV. NEDERLAND.
I. LIGGING, GRENZEN, GROOTTE.
§ 27. Nederland ligt, zooals de naam uitdrukt, laag.
Het maakt, zooals wij gezien hebben, een deel uit van de
Groote Europeesche laagvlakte. Naar de voornaamste rivier,
welke erdoor stroomt, noemt men dit gedeelte de Beneden-
rijnsche laagvlakte. Voor den handel en het verkeer met
het buitenland is ons Vaderland zeer gunstig gelegen.
§ 28. De Noordzee vormt eene natuurlijke grens van ons
Vaderland; de grenzen tegen Duitschland en België zijn
grootendeels kunstmatig (grenspalen). Eb en vloed en de in
Nederland heerschende westenwinden maakten, dat deze lage
landen eene uitmuntende beschutting tegen overstrooming
kregen: de zeeduinen. Bij de breede riviermonden, of liever
zeegaten, ontbreken de duinen; ook bij Westkapelle
en tusschen Petten en Kamp, waar zware dijken worden
aangetroffen. In het Westland zijn de duinen smal en laag,
zoodat men nog een' dijk, een slaperdijk genaamd, aan de
binnenzijde heeft gelegd.
Tusschen de delta-eilanden van Zeeland en Zuid-llolland
zien we op de kaart, van het Z. naar het N. gaande, de
volgende zeegaten:
( Wielingen,
monden van de VVesterschelde Spleet,
' Deurloo.