Boekgegevens
Titel: Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Auteur: Jansz, Pieter
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1851
2e dr; 1e dr.: 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 187 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203829
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
lipn gaten gemaakt, grooter of kleiner , al naar het
noodig is. Die groote gaten kan men met stevige
eikenhouten deuren open- of digthouden : dit zijn
sluizen. De kleine loopen onder dtn dijk of de kade
door, en worden met eene schuif geopend en geslo-
ten ; deze heeten zijlen , zoo ze, in de groote dijken ,
van steen , en duikers , als zo , in de kleinere kaden,
van hout of ook wel van steen gemaakt zijn. Door
deze gaten kan men het water inlaten of tegenholiden,
zoo als men verkiest.
De watermolens halen het water op , dat er te
veel in den polder is, en werpen dat uit in de vaart
of het kanaal, dat er om heen ligt, de ringvaart
of ringsloot genoemd. Aan sommige polders beeft
men hiervoor stoommachines. Is het water in de
ringvaart te hoog, dan kunnen de molens daarin niet
meer uitmalen. Hierom heeft men dan in den pol-
der éóne of meer lage plaatsen, die geheel met
kaden omringd zijn, en die men eerst volmaalt, om'
naderhand het water daaruit in do ringvaart te ma-^
lèn. Men noemt die plaatsen boezems.
Maar ook de plaatsen, die hooger liggen en niet
ingedijkt zijn, zouden dikwijls onderloopen door het
water uit vaarten en kleine rivieren. Dus zou men
langs al deze vaarten en riviertjes weder dijken moe-
ten aanleggen , hetwelk veel te kostbaar zou wor-
den. Op de plaatsen, waar dit best kan geschieden
en waar dit het meeste nut doet, bouwt men dan
sluizen in of langs de rivieren, en sluit zoo de
kleine rivieren en de vaarten van de groote rivieren
af, hetwelk men afdammen' noemt. Nu kan men
zoo veel en zoo weinig water inlaten als men goed-
vindt ; en als do waterstand in de zee lager is dan
binnen in het land , zoo zet men dc zeesluizen l) open,
waardoor dan het water, dat men te veel heeft, kan
1) Zogt mij eens wat zresltri^cn zijn.