Boekgegevens
Titel: Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Auteur: Jansz, Pieter
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1851
2e dr; 1e dr.: 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 187 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203829
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
door veel rijker en magtiger dan tegenwoordig , zoo
zelfs, dat het toen, hoe klein het ook was, onder
de magtigste staten van Europa helioorde. Dit hebt
gij misschien reeds in de Vaderlandsche Geschiedenis
gelezen. Dan hebt gij zeker ook wel opgemerkt,
dat er veel merkwaardigs in en met ons land is
voorgevallen. Hierdoor is Nederland dan vooral ook
beroemd onder de volken. Ook is er zeer veel be-
langrijks omtrent ons land op te merken.
Daarenboven behooren aan ons land nog vele streken
en eilanden in andere deelen der wereld , welke te
zamen omstreeks acht-en-twintig malen grooter zijn
dan Nederland zelf. Dit geeft ons ook in die gewes-
ten magt , en het maakt onzen koophandel daar ge-
makkelijker. Die huitenlandsche bezittingen brengen
ook zeer, vele dingen voort, die in ons land niet g^roei-
jen of te vinden zijn , en die wij anders misschien
veel duurder van andere volken zouden moeten koopen.
Gij ziet op het kaartje, dat ons land aan twee
zijden , het westen en het noorden door de zee, en
aan de twee andere zijden, het oosten en het zQiden
door andere landen begrensd wordt 1).
Maar weet gij wel, mijne kinderen ! waar die vier
windstreken, zoo als men ze noemt, het noorden,
het oosten, het zuiden en het westen , aan den he-
mel te vinden zijn? — Komt, wijst mij het-noor-
den eens. -i- Aan welke zijde komt de zon op? —
Daar is het.....— Waar staat de zon des middags
te twaalf uur ? Die streek noemt men het.....— En
waar omstreeks gaat de zon onder ? — Dit heet het.....
Waar is dan het noorden ?
Welnu , op de kaart heeft men ^woonlijk hert noor-
den bovenaan, en zoo is het ook hier. Zegt gij
1) Begrensd marien, iv«l wil lUt «eggen 7