Boekgegevens
Titel: Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Auteur: Jansz, Pieter
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1851
2e dr; 1e dr.: 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 187 : 2e dr.
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203829
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van Nederland
Trefwoord: Geografie, Nederland, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vaderlandsche aardrijkskunde, onderhoudend medegedeeld aan kinderen van acht tot elf jaren: een leesboek voor de scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
Hebt gij wel eens een klein reisje gemaakt, kinde-
ren ? — Ja ? Op welke wijze ging dat ? — Hoe kan
men hel nog meer doen? — Er zijn al verscheidene
middelen , die wij gebruiken kunnen om van de eene
plaats naar de andere te komen. Het eerste en na-
tuurlijkste middel is zeker—onze eigen beencn. Die
paardjes zijn het goedkoopst te onderhouden , en zijn
altijd gewillig, zoo lang wij willen en zij maar voort
kunnen komen. Maar hoe veel uur denkt gij wel op
één'dag te kunnen loopen ? — Iemand, die twaalf of,
veertien uur op een' dag gaat, is een zeer goed voet-
ganger. Eene gewone dagreis te voet kan men op acht
tot tien uur rekenen. Als men op die wijze eene week
lang voortreisde, zou men zeker al een heel eind wegs
van hier kunnen zijn.
Men kan evenwel veel spoediger reizen dan te
>oet, en meestal komt spoed bij het reizen wel te
pas. Te voet reizen is ook gansch niet het gemak-
kelijkst, en daarom heeft men dan ook verscheidene
andere middelen bedacht. De trekschuit, eene lange,
smalle' schuit, die door één of twee paarden wordt
voortgetrokken , brengt ons wel zonder vermoeijenis,
waar wij zijn moeten , maar in spoed wint zij niet
veel bij het loopen. De barge is niet meer dan eene
groote trekschuit, die gemakkelijker is ingerigt en
doorgaans een weinig sneller voortgaat. In veel kor-
ter' tijd brengt ons eene zeilschuit over, als er na-
melijk gelegenheid tot zeilen gevonden wordt, en de
wind gunstig is.
Wanneer evenwel des winters de vaarten en andero
wateren digtgevroren zijn , kan men dit alles niet
gebruiken. Dan, zoowel als des zomers, kunnen
echter de paarden ons nog helpen. Die sterke en
werkzame beestjes kunnen ons op andere wijzen dan
met de trekschuit veel spoediger naar eene andere