Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
4G
Een voorbeeld van levendigheid in den dialoog ne-
men wy uit Wale wein, waar de heldhaftige Ridder,
twee torens van een kasteel overwonnen hebbende, de
verdedigers voor zich heen jaagt naar den derden to-
ren, waar zy hunnen krijgs makke reu bidden hun te ope-
nen. (vs. 6330—6351.)
„Dor ghenade,
„Ondoet, ende laet ons binnen com en!
„Al hadde men ons tlijf ghenomen,
„Mi dinke ghine achtes niet een haer."
Si ^ antworden: „Wat es daer?"
Die binnen waren, ende outdaden.
Si seiden: „"VVi sijn alle verraden."
Die gonen die van buten quaraen.
„Dies mogdhedi ju sere scamen/'
Spraken diere waren binnen:
„VVaerom lieti uwe porte winnen?
„Twi settedi ju niet ter were?
„Volghet ju een crachtich here?"
„Neent."
„Waar omrae wildi dan
„Ons allen jaghen doen een man?"
„Laet ons in, sluut die veste.
„Ende hem daer buten, dats ons beste.
„Comt bi daer in, wi sijn verloren.
„Vaerdelike blaset den horen
„Om meer bescuds van daer binnen.
„Hi sal den casteel up ons winnen;
„Wine ghewachten ons heden dies,
11. Tot de Karei-romans, die in Nederland werden
gelezen en genoten, behooren: het Koelants-lied; Carel
1 N. 1. die van binnen.