Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
dig bracht zy de tijding daarran aan goedroen, wier vreug-
de evenwel beneveld wordt door de gedachte aan den na-
byzijnden strijd. „Wee my!" roept zy treurig uit: „hoe-
vele helden zullen heden een prooi des doods worden!"
Terwijl zy dus sprak, lag het volk nog in diepen slaap.
Maar weldra riep Koning lodewijks wachter met kracht
van de tinnen: „Op! op, gy stoute helden! Op, Heer!
op ! te wapen! Gy koene Normandiërs ! al te lang, vreeze
ik, hebt gy reeds geslapen!" — lodewijk meent: het
kunnen wel pelgrims zijn; maar hartmoet, met hem uit
een venster starende, herkent weldra de verschillende
bontkleurige banieren, en verzamelt zijne helden tot een
uitval. De kamp vangt aan, en wordt vinnig en hard-
nekkig voortgezet; Lodewijk wordt verslagen, de burcht
ingenomen; en gerlinde, die goedroen aan hare wraak-
zucht had willen opofferen," viel onder het zwaard van
den grimmigen wate. „Vrouw gerlinde!" sprak hy
met bitteren spot: „hebt ge nog meer schoone wasch-
meisjens noodig?" Hy sleepte haar buiten de zaal, en
sloeg haar het hoofd af. — Eindelijk is de kamplust be-
vredigd; de helden leggen hunne wapenen neêr, ontdoen
zich van de maliënkolders, gespen de helmen af, en ko-
men de Jonkvrouwen begroeten , die zy verlost hebben.
Spoedig volgt nu het vertrek naar llegelingenland, waar
een driedubbel feest wordt gevierd: ter verloving van
goedroen en heravig, hildburg en hartmoet, ort-
roen, herwigs zuster, en ortwein; tot dat de ure des
scheidens is aangebroken, en ieder naar zijne staten keert.
Ortwein en herwig zwoeren toen elkander vaste trouw;
zy zouden hunne Vorstelijke zetels met eere bekleeden,
hunnen grooten vaderen waardig, en elkander tegen
iederen vijand bystaan.
Dit is de hoofdzakelijke omtrek van de Goedroen,
een gedicht, dat men waarlijk een der schoonste voort-
brengselen van poëzy mag noemen, door eenig volk
voortgebracht. Eenvoudig en ongekunsteld vloeit de
stroom der zangen daar heen; dan eens teder en