Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
gebruik van schoenen, toen zy ze met nijdige wooi'den
naar buiten droef, om te wasschen aan den killen en nog
half bevrozen vloed, waarby de koude voorjaarswind hunne
ter naauwernood bedekte leden verkleumde. Zoo worden
zy gevonden door hekwig en ortwein. Herwig wil
beiden oogenblikkelijk mee voeren, maar ortwein, uit
een overdreven begrip van eer, verzet er zich tegen.
—„Dat doe ik nimmerï" zegt hy: „Bezat ik honderd zus-
ters — ik liet ze allen sterven, eer ik my in den vreemde
zoo lafhartig zou aanstellen, om heimelijk wech te stelen
wat grimmige vijanden my met kracht van wapenen ontna-
men !" — De helden leggen de belofte af om spoedig te rug
te komen en allen te verlossen. Goedroen is opgebeurd,
en heeft moet gevat. Nu twee Koningen (heur broeder
en herwig) haar hebben omhelsd en gekust, wil zy geen
slavinnendienst meer verrichten, en werpt de kostbare
kleederen, die zy wasschen moesten, in den vloed. Om
gerlindes toorn te ontgaan, geeft zy listig voor, hart-
moet te willen huwen, en doet hem wel honderd boden
door gants Normandië zenden om zijne vrienden te noo-
den, waai'door het aantal helden in zijne nabyheid groo-
telijks verminderd wordt. Inmiddels zijn herwig en ort-
wein weder by de Hegelingen gekomen, en hebben
hunne ontmoeting verhaald. De vertoornde ^vate spoort
de helden aan om terstond heen te trekken: „Op!"
roept hy: „en met bloedige slagen op den vijand los.
De lucht is zoo helder, zoo rijk aan starren en zoo klaar.
Ook schijnt de maan zoo prachtig, dat het my vrolijk
maakt. Verlaat dezen eenzamen oever, gy trouwe hel-
den ! — en eer de morgen daagt, liggen wy voor lode-
wijks burchtslot te velde."
Reeds was de morgenstar opgegaan, toen een schoon
meisjen op de burcht naar een venster trad, om het aan-
breken van den dag te bespieden. Daar zag zy den
morgen schemeren, en naby den zilverenden waterspiegel
helmen blinken en schilden flikkeren: de burcht was be-
zet, en de velden rondom schitterden van wapenen. Spoe-