Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
;3S
plaats der gebeurtenissen in Holland, Zeeland, en Vlaan-
deren byna met den vinger aan te wijzen.' '
Is het Nevelingen-lied reeds onze belangstelling
waardig als een gemeenschappelijk eigendom met Buitscli-
land, hoeveel te meer verdient dan onze aandacht niet
gevestigd te worden op de G o e d r o e n, die kennelijk van
onzen bodem derwaart is overgebracht, en daarom met het
volste recht het heldenlied van Nederland mag genoemd
worden, al valt het bewijs niet te leveren, dat ook de
vorm van ons afkomstig is.
Het gedicht bestaat uit drie hoofd-afdeelingen, waarvan
de beide eersten slechts de inleiding tot de derde zijn.
De eerste, die 203 strofen of vierregelige vaers-afdeelin-
gen bevat, verhaalt': hoe hagen, Koning siegebants
zoon van TSyrland, in zijne vroege jeugd door een reus-
achtigen grijpvogel van de zijde zijner voedster wordt
wechgeroofd; in de wildernis opgroeit; later naar zijn
geboorteland te rug gevoerd wordt; en, eindelijk, tot een
mannelijken held ontwikkeld, zelf de regeering aanvaardt.
De tweede afdeeling schildert in 359 strofen de gene-
genheid van HETTEL, Vorst der Hegelingen (op de gren-
zen van Zeeland en Vlaanderen) voor hägens schoone
dochter hilde, en de ontvoering dezer Jonkvrouwe door
zijne gezanten wate, FROETE en horrand den zang-
meester, niet zonder geweldigen strijd, maar die met
eene verzoening eindigt.
Het derde deel, beter aan het tweede verbonden dan
dit aan het eerste, maakt eerst het eigendlijk en hoofd-
verhaal uit, en bestaat uit 1143 strofen, die de lotgeval-
len vermelden van goedroen, dochter van hettel en
' Deze overplanting van eene sage op een iiitheemschen
bodem, waar zy weldra het karakter der nieuwe woonplaats aan-
neemt eu geheel inheemsch wordt, is niet zeldzaam. Het reeds
gants gevormde Hindostaansch heldendicht Ma lia-B h ar at a, in
de S^'e eeuw op Java overgebracht, ontfing daar een geheel eigen-
aardige kleur, en werd, onder den naam van IBrata-Joeda.
het heldendicht der Javanen.