Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
Äer Äebencuning,
Äordun the odra.
„Ik mag iu gi^illien," quad he:
„that noh wirdid thiii ^id kumen,
„that is afstanden ni seal
„sten obar odrumu ;
„ae it /allid ti /odu,
„endi it /iur nimid ,
„^radad logna,
„tho it nu so ^odlie si,
„so wislieo giwarht.
„Endi so dod thesaro ïoeroldes giseapu :
„te^lidid ^^roni wang." '
11. Het proza (meer de vorm van het koel verstand
dat betoogt, dan van het opgewekt gevoel dat wil tref-
fen) in dezen tijd minder beoefend wordende, hield der-
halven in ontwikkeling met de taal der dichters geen ge-
lijken tred. Hoe willig de taal er zich evenwel toch toe
leende, blijkt uit de vertaling der Psalmen, aan de
dagen van karel den Groote toegekend, en waarvan het
Nederduitsch een Frankischen tongval heeft. . Een voor-
beeld in de 17c tot 21" vaerzen van den 55^1 Psalm:
Vs. 17. Ik eft te gode riepo, iu herro behielt mi. ^
' hy, Koning des hemels,
de anderen luisterden.
„Ik mag u verhalen," sprak hy:
„dat de tijd nog komen zal,
„dat van hem niet staan zal
„een steen op den ander,
„zonder dat hy ten bodem stort,
„en het vuur hem verslindt,
„de vratige vlam,
„ofschoon hy nu ook zoo heerlijk is,
„en met zoo veel wijsheid gebouwd.
„En zoo zal 't het geschapene dezer waereld geschieden :
„de groene vlakte zal vergaan."
* "Vs. 17. Ik heb tot God geroepen, en Hy behield my.