Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
Deze zegezang, wiens kernachtige taal (al kampt zy
nog met de ruwheid der eeuw), wiens zuiveren en ge-
makkelijken gang wy bewonderen; wiens aanschouwelijk-
heid by de voorstelling van het feit ons meêsleept — levert
te gelijker tijd een voorbeeld van de inwerking der gees-
telijken op de toenmalige poëzy, en wy hebben hier eene,
zekerlijk hoogst gelukkige, vereeniging van het geeste-
lijk lied en den volkszang. — Snel verspreid geraakt,
was het Lode wijks-lied ook spoedig algemeen bemind.
In de tiende eeuw werd het, volgens de oude gewoonte
des lands, voornamelijk op maaltijden gezongen; en in de
volgende eeuw zong men het nog in het graafschap
Ponthieu, in het oord waar de strijd was voorgevallen.
10. Wanneer men der overlevering gelooven mag,
die de vervaardiging van den Hêljand aan een Saxischen
boer, uit de dagen van lodewijk den Vrome, toefchrijft ,
dan moet dit gedicht eene halve eeuw ouder zijn dan
hucbalds zegezang. De bewering echter die men hier
tegen in heeft gebracht: dat een leek van die dagen byna
onmooglijk een dergelijk werk, waartoe vrij wat geleerd-
heid noodig was, tot stand kon brengen, is niet onge-
grond, en maakt het waarschijnlijker, dat men hier een
gedeelte der Nederduitsche of Saxische Bijbelvertaling,
of zoogenaamde Evangeliën-harmonie voor zich
heeft, die op last van lodewijk den Vrome is vervaar-
digd. De Hêljand — door eene overdrevene zucht voor
onze oude Letteren wel eens geroemd om zijne rijke en
gespierde vaerzen en epischen gang — bezit voor de taal-
studie veel, als dichterlijk gewrocht weinig waarde; al-
leen heerscht er over 't algemeen eene niet onbevallige
en soms beminnelijke eenvoudigheid in, maar die op den
taalvormen het zelfde uit, wat wy thands met onze rijkere verschei-
denheid doen. — Ik houd ray verzekerd, dat hucbalds tijdgenoteu
aan zijne woorden : „bluot skein in wangón spilódun ther Vrankón,"
geen minderen zin iiebben geliecht, dan ik in de vertaling dezer
twee regels: „Het driftig bloed," enz., heb trachten te geven.