Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
21
(Ie kloven der rotsen neêrbruist; in het ruwschorsig woud
aan het meir, waar het water boven de boomwortelen
staat, zoodat geen menschenvoet er vasten grond vindt;
waar zelfs het woud-doordwalende hert, met zijn sterk
gewei, wanneer het door honden wordt nagezet, liever
het leven opgeeft dan in deze sombere berg-woestenij
een schuilplaats te zoeken. BëówULF laat zich hierdoor
evenwel niet afschrikken. Vol moeds stort hy zich in
den diepen poel; bereikt eindelijk den bodem; overwint
na hardnekkigen (en uitmuntend geschilderden) strijd het
meirwijf, en stijgt, met grendels hoofd als zegeteeken,
uit de diepte weder op, tot groote verrassing en vreugde
van hródiigar en de helden, die hem reeds verloren
waanden. — Spoedig daarop verliet hy Seeland, om el-
ders weder nieuwe avonturen te zoeken."
Om den wille der eenheid van daad zou men wen-
schen , dat het gedicht iiier met den aanvang der 23ste
strofe ware geëindigd: de overige zestien ', die hoofd-
zakelijk (ofschoon altoos met de zelfde levendigheid en
gloed die het geheel kenmerkt) BëówuLFS kamp met
een zijn land verwoestenden draak, en zijnen dood be-
zingen , maken geheel een tafreel op zich-zelf uit, waar-
van een der schoonste plaatsen in BëówULFS sterven
gevonden wordt:
„Met hulp van den edelen wiGLaF, zijn bloedverwant,
heeft de grijze, nog altijd onverschrokken Vorst den draak
overwonnen, maar de beet des monsters heeft zijn bloed
vergiftigd, en hy gevoelt den dood in de aderen. Aan den
rotswand zet hy zich op eenen steen, en slaat zijne blik-
ken naar de granietbogen, vast op hunne pijlers rustende,
en het gewelf der grot schragende. WiGLaF, de wak-
kere degen, laafde zijn geliefden heer, moede van den
strijd, met water, en trachtte hem weder te herstellen.
BëówuLF sprak over zijne doodwonde; hy wist wel dat
' Waarvan de 30ste geheel, en van vijf anderen gedeelten ver-
loren zijn gegaan.