Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
17
De strijd is onvermijdelijk, hoezeer de oude er zich
aanvankelijk tegen verzet. Hadubrant wordt overwon-
nen , en herkent nu zijn vader aan diens bekende reuzen-
kracht. hrltibrath acht zich gelukkig in het bezit
van een zoo dapperen zoon; en beiden trekken te zamen
naar het kasteel, waar de burchtvrouw in den gewaan-
den vreemdeling haren echtgenoot hervindt.
Met opzicht tot de bewerking hebben wy in dit stuk
eene kernige, krachtvolle voorstelling, in eene taal zoo
stout als die der noordsche Edda; de gang van het
stuk heeft eene epische breedte en gelijkmatigheid, in
den trant van homerus, en met latere Duitsche bewer-
kingen vergeleken, steekt het fragment daarby hoogst
voordeelig af.'
6. Hoezeer nu in dezen tijd verschillende Saxische en
Angelsaxische stammen zich over onze gewesten, tot
langs de kusten der Noord-Zee, hadden verspreid, is het
evenwel wat stout, met snellaert ons het recht toe te
kennen, om, ook maar voor een gedeelte, de voort-
brengselen hunner Letterkunde tot de onze te mogen
rekenen, en daaronder eene eerste plaats aan den Bëó-
wulf (Biewulf) in te ruimen. Dat echter dit Angel-
Saxiesch heldendicht der 8<= eeuw, zoo met betrekking
tot den vorm als tot den inhoud, ons een levendig denk-
beeld geeft van de heldenzangen dier dagen, onder de
verschillende Germaansche stammen bloeiende, zal wel
niemant willen betwijfelen. Uit dien hoofde verdient het
hier eene breedere ontleding, met wechlating evenwel
van alles, wat door ettmüiaer bewezen is invoegsel
van later, van christelijken tijd te zijn.
„HRÓDiiGaR, Vorst der Denen op Seeland, afstammeling
van sciLD scÉFiNG, den machtigen held, doet een prach-
tige hal, Hëorot, bouwen, en geeft er feest op feest in
de gouden zaal, totdat een kwaadaardig wezen, gren-
del , een demonische reus die een donkeren poel bewoont,
JONCKDLOET.