Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
Ik gihórta dliat seggen ,
dus begint het fragment, waarvan de vaerzen nog niet
door eind-, maar door aan rijm met elkander verbon-
den zijn:
Ik gihórta dhat seggen ,
dhat sih «rhêttun
«non miiottin
//iltibraht enti //adhubrant
untar Aerjun tuêm.
/Sunufatarungós
iró saro rihtun
^arutun sê iró yüdhamnn,
yurtun sih iró suert ana,
/ielidós, ubar /<ringa,
dü siê to deró Ailtju ritun.
//iltibraht gima/<alta:
/(er was /lèroïo man ,
/erahes /rótóro;
her /ragen gistuont
/óhêm wortum ,
huer sin /ater wari
/ireó in /olche. '
Ik hoorde dat verhalen,
dat elkander daagden
tot eenen tweekamp
Hiltibrant en Hadhubrant,
twee onder de heiren.
Zoon en vader beiden
maakten hunne pantsieren gereed ;
zy kleedden zich in hun krijgsgewaad ,
en gordden hunne zwaarden aan
over de maliën (de helden!)
toen zij ten kamp reden.
Hiltibraht sprak
(hy was een hooge man
de kloekste van geest)
hy ondernam te vragen
met weinige woorden,
wie zijn vader was
onder de mannen des volks.