Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
■vvoord 18 moeielijk te vinden, en zal wel altoos in het
onzekere blijven. Met meer zekerheid mag men besluiten
dat de Germaansche dichtkunst zich, met betrekking tot
den vorm, niet van het tegenwoordig by ons algemeen
eind-rijm, maar alleen van de zoogenaamde alliteratie:
staf-, of aan-rijm, bediende. Dit bestond in het ge-
bruik van zoodanige op elkander slaande woorden, als
met de zelfde medeklinkers aanvangen, en was vóór de
invoering van het Christendom overal by de noordelijke
volkeren in gebruik.
Als voorbeeld dezer versificatie diene:
ïroe ÄKukt het élaauwe hemeh'uim
Vau stillen starrenglans ;
Het wijkend wolkjen toeft aan 't west
l)p wK)rgen »djmrend weer.
Wy zullen haar later ook in het Hildebrands-lied,
zoowel als in den Beowulf ontmoeten.
6. De groote volksverhuizingen gaven den maatschap-
pelijkeii toestand van Europa een geheel ander aanzien,
moesten alzoo ook eene groote verandering in de zeden
en denkwijzen der volken te weeg brengen, en daardoor
evenzeer op de poëzy als op de taal inwerken. Saksen
en Franken bevolkten Nederland, en tleelden met de
Friezen den bodem, van waar zy anderen hadden verdre-
ven of in zich opgenomen; en hoewel dus het Germaan-
sche element bleef bestaan, vertoonde het zich evenwel
onder een anderen, soms meer, soms minder beschaafden
vorm, al naar gelang van den trap van ontwikkeling,
door deze volkeren bereikt. Eti even als de stammen,
smolten ook de liederen en overleveringen te zamen:
riepen deels nieuwen te voorschijn, en werden deels ver
drongen door anderen, wier naklank nog in de let-
terkundige voortbrengselen der volgende eeuwen vernomen
wordt.
7. Na overweging van al dit voorgaande, dient men
dus de Gescliiedenis der Nederlandsche Letterkunde, om