Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
zaamheid wekt, en hunne nieuwe waarneming zich uit
in een tweeden regel:
„Daar is een vogel heengevlogeii !"
Naarmate de samenhang dezer elkander opvolgende of
vervangende voorstellen natuurlijker en geleidelijker is,
vormt zich op deze wijze allengs als van zelf een klein
lied, aanvankelijk aan het geheugen toevertrouwd, en
weldra door mondelinge meêdeeling voortgeplant.
2. Deze natuurlijke aandrift, om gewaarwordingen,
vooral van een levendigen of sterken aart — door eigen
hartstochten, door byzondere levenstoestanden en verhou-
dingen , of door buitengewone daden van anderen opge-
wekt — in eenen minder of meer kunstigen vorm uit
te storten, allen volkeren in hunnen natuurstaat gemeen ',
deed al spoedig verschillende soorten van zangen gebo-
ren worden: hier, om het bruisend gevoel van liefde
of haat lucht te geven, om zich-zelf en anderen ten
strijde te prikkelen; daar, om in plechtiger tonen den
Goden onderworpenheid en dank te betuigen; gints, om
de daden van heldhaftige broederen te verheffen, te ver-
heerlijken, en voor vergetelheid te bewaren. Zoo ont-
stonden Minne-, en Krijgsliederen, Lofzangen ter eere
der Goden, en Heldenzangen; en waar deze laatsten zich
aan de overleveringen omti'ent de afkomst des volks
vast sloten, daar vormden zich de Stam-sagen.
3. Dat de Germanen al deze soorten van gedichten
bezaten, wordt ons door vele verspreide historische ge-
tuigenissen verzekerd; maar niets daarvan is echter tot
ons gekomen, en wy kennen slechts nog, als by geluk,
den hoofdzakelijken inhoud, door de oppervlakkige ver-
melding van tacitus: „in oude Gezangen, die by de
Germanen de eenigste soort van gedachtenis en geschied-
' De sprekendste voorbeelden daarvan treft men nog heden
onder de Chactaws en meei- Noord-Amerikaansclie volksstammen
naii, die ook nog in menig ander opzicht met onze Germaansche
■itanivadcren een merkwaardige overeenkomst hebl)en.