Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
omvat die gedichten, waarin de dichter aijn persoonlijk
gevoel uit eigene behoefte uitstort, zonder dat hy daarin
noodzakelijk met een ander in aanraking behoeft te ko-
men. Hiertoe behooren de Ode en het Lied, onder hunne
verschillende benamingen van Dithyrambe, Hymme, Ele-
gie, enz.
b. De epische poëzy bevat de dichterlijke tafreelen
in den verbalenden vorm, die men veronderstelt aan een
ander voor te dragen; vandaar het ontleenen van den
naam uit epos: het gesproken woord. Tot deze soort
brengt men te recht, behalven den eigendlijken Epos, ook
den Heldenzang, de Ballade, de Legende, het Ridder-
gedicht, en het Dichterlijk Verhaal, waaraan door som-
migen nog de Fabel wordt toegevoegd.
c. Onder de dramatische poëzy (die haren naam
voert naar drama, handeling, en de door haar geschil-
derde gebeurtenissen als tegenwoordig, en door de optre-
dende personen zelf uitgevoerd, voorstelt) behooren hoofd-
zakelijk: het Treur-, het Tooneel-, en het Blijspel, met
hunne onderverdeelingen en verwante gedichten.
d. Onder de didaktische poëzy eindelijk begrijpt men
de dichtstukken, die eenig wetenschappelijk onderwerp
behandelen, met oogmerk om daardoor te leeren: het
Leerdicht alzoo in zijne verschillende vormen.
Alle gedichten, van welken aart ook, kunnen tot éen
dezer vier hoofdsoorten te rug gebracht worden, voor zoo
ver zy namelijk niet de eigenschappen van twee of meer
daarvan in zich vereenigen. Zoo kan, b. v., in het Lied
de dramatische richting overheerschend, het Herdersdicht
evenzeer epiesch als didaktiesch, en het Hekeldicht zoo-
wel dramatiesch als lyriesch zijn.
7. De ongebonden stijl of het Proza wordt, naar de
richting zijner voortbrengselen, weder in drie hoofdsoor-
ten gescheiden, namelijk in
a. Verhalend,
b. Redekunstig, en
c. Didaktiesch proza.