Boekgegevens
Titel: Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Auteur: Hofdijk, W.J.
Uitgave: Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1864
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NO 91-60
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203771
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse letterkunde
Trefwoord: Bellettrie, Nederlands, Geschiedenis (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis der Nederlansche letterkunde: voor gymnasiën en zelf-onderricht
Vorige scan Volgende scanScanned page
Door wal droeoe oorzaak de bemerking^ m de gelukkigste
dagen mijns levens aangevangen, plotselj/k gestoord, en later
eerst traag voortgezet werd, is voor het algemeen volstrekt
van geen belang, en sta hier alleen vermeld, als eene ver-
ontschuldiging voor den zeer laten datum van het geheel.
Voor het onregelmatige in het leveren van proeven uit de
iverken onzer latere Dichters, verzoek ik niet verandwoordelyk
te worden gesteld: sommige Uitgevers hebben een meer dan
dwaas begrip van hun eigendotnsreeht, en de vjet, in de
gebrekkigste vormen uitgedrukt, staat als een gehaarde schild-
wacht aan hunne zvjde. Het is daar geen „pax intrantibus!"
Erkentelyk voor de belangstelling, waarmee dit loerk aan-
vankelijk is ontfangen, wensch ik hartelyk dat hel ook het
door rny voorgestelde doel bereiken moge.
Aldus schreef ik in December 1856, en ik verheug my
dat ik er thands reeds eenige woorden mag byvoegen, omdat
er een tweede druk gevorderd wordt. By de herziening van
Mijnen arbeid heb ik getracht de gebreken zooveel mooglyk
te verbeteren, en datgene aan te vullen, wat der vorige
uitgave ontbrak. Hierby zijn sommige Uitgevers my zeer wel-
loillend te gemoet gekomen, waarvoor ik hun mijn harte-
lyken dank betuig: de inhoud van rnijn boek is er rijker
door geworden. Het bygevoegd register zal, hope ik, tevens
de bruikbaarheid bevorderen.
Zoo vinde deze druk zijn weg, gelijk zijn voorganger; en
moge hy niet vruchteloos arbeiden aan de vermeerdering der