Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
70 EUROPA.
verlangde betere waarborgen voor de toekomst. Aan dien wensch werd met
weerzin en slechts ten halve voldaan; er rees misnoe<:en, cn "Willem I deed in
Octobcr 1840 afstand van de regering, ten behoeve van zijnen zoon Willem II.
De staat ging intusschen voort gedurig dieper in schulden te zinken, tot in Fe-
bruarij 1844, toen de minister van financiën optrad met het plan eener vrijwillige
leening van 127 millioen, die door inspanning der natie nagenoeg werd vol-
getcckend. Van dit oogenblik openbaarde zich steeds heviger het verlangen naar
eene meer voldoende grondwetsherziening, tot dat in 1848, toen de omwenteliugs-
koorts geheel Europa deed trillen, de koning, buiten voorkennis zijner weder-
strevende ministers, aan de wenschen der natie voldeed. De nieuwe grondwet
werd in November 1848 afgekondigd, cn daarop werden de nieuwe kamers geko-
zen ; maar naauwclijks waren zij vergaderd, of Willem II overleed in Maart 1849,
waarna de tegenwoordige koning, Willem III, den troon beklom.
De regeringsvorm van het rijk is beperkt monarchaal, cn de troonopvol-
ging erfelijk in de mannelijke en vrouwelijke linie. De troonopvolger draagt
den titel van Prins van Oranje. De koning bezit de uitvoerende magt, maar deelt
de wetgeving met de Staten-Generaal. Deze bestaan uit twee kamers. Eerste en
Tweede Kamer geheeten. De leden der Eerste worden door de Provinciale Staten
gekozen; die der Tweede door de stemgeregtigde burgers. Aan het hoofd van
het provinciaal bestuur staat een commissaris des konings, die met de Provinciale
Staten de belangen der provincie behartigt. De Gedeputeerde Staten, uit het midden
der provinciale staten gekozen, zijn belast met bet dagelijksch bestuur. — De
hoogste regterlijke magt berust bij het opperste geregtshof, Hooge Raad ge-
heeten, terwijl in elke provincie een provinciaal geregtshof bestaat. Voorts heeft
men arrondissements-regtbanken en kantongeregten.
De grond der Nederlanden is doorgaans vlak cn laag, vooral in
Holland, Zeeland, liet zuiden van Gelderland en in Friesland; in
de eerste twee provinciën zelfs dikwerf lager dan de oppervlakte der
zee. Deze lage bodem wordt, langs bijna de geheele westkust des
lands, door eene rij van zandheuvels of duinen tegen overstrooming
beveiligd, en waar die ontbreken, heeft men dijken opgeworpen, die
allerwege de zeeën, rivieren en meren beperken, doch jaarlijks ont-
zettende sommen aan kosten van onderhoud verslinden. Ook heeft
men een aantal meren door dijken omringd en daarna drooggema-
len, zoo als de Beemsier, Parmer, Schermer, Worm er, en vooral het
Haarlemmer-meer , nog onlangs de aanzienlijkste plas van ons land,
en door de ineenvloeijing van verscheidene kleinere meren ontstaan.
Op verscheidene plaatsen heeft de zee groote inbreuken gemaakt.
Zoo is uit het vroegere meer Flevo de Zuiderzee ontstaan, die thans
een zeeboezem van de Noordzee is en 65 v. m. beslaat, en waarvan
liet Y wederom op zijne beurt een boezem is. Andere boezems van
de Noordzee zijn de Dollart^ in 1277 ontstaan, en de Lauwerzee,
met liet Groninger diep, welke beide laatsten weder aanmerkelijk zijn
aangeslibt. De Bieshosch is ontstaan door den zoogenaamden Eliza-
heihsvloedy eene dijkbreuk in 1421, waarbij 72 dorpen verdronken.
Nog verdienen genoemd te worden de Wadden of ondiepten tusschen
de kusten van het vaste land der jTrovinciën Gi'oningen en Friesland
en de eilanden, en de Zeeuwsche stroomen^ die men als wijde rivier-
monden kan aanmerken. Niettegenstaande de boven genoemde bescher-
mingsmiddelen, staat het land, bij hevigen storm of ijsgang, aan de
grootste gevaren en schade bloot. Groote watervloeden waren die
van 1277, 1421, 1580, 1809, 1825 en 1855. — Het grootste gedeelte
des lands is zeer vruchtbaar; maar in sommige oorden heeft men ook
moerassen, heiden en zandige streken. In Gelderland, Overijssel,
Drenthe, en ook in lietGooiland, vindt men eenige heuvels, die nog-
tans den naam van bergen niet verdienen. De lucht is gematigd en
dikwijls vochtig, hetgeen evenwel op de inwoners geen merkbaai'