Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE ZWEEDSCIIE STAAT. 59
ini zijne trooiibekiininiinK dc magt van den rijksraad door eene met overleg be-
smurde omwenteling in 1772 weder wist te breken. Maar de aristocratisebe faclic
verborg siecliis hare misnoegdheid; het moordmes van den kapitein Ai.kaustköm
velde den koning. Betreurenswaardig was het, dat zijn zoon Güstaaf IV zoo
vroeg den scepter ontvitig, daar juist het rijk meer dan ooit eene verstandige
leiding noodig had. Dwaze hardnekkigheid teekonde de stappen van dezen ko-
ning, die Fommercn en Finland verloor, en zich eindelijk getroosten moest in
1809 van den troon afstand te doen. Zijn oud-oom werd tot regent en de beroemde
Fransche generaal Bernadotte tot kroonprins en opvolger gekozen. Eene geluk-
kige keuze; want onder Bernadotte, die reeds als kroonprins, en sedert 1818
als koning, onder den naam Karel Johan, aan het hoofd der natie stond, is den
lande veel goeds gedaan. De Zweed verblijdde zich met regt over hem, als een
vorst, die de behoeften van zijn volk met een scherpen blik doorzag. In plaats van
het verloren Finland van Rusland terug te vorderen, hetgeen trouwens ondoenlijk
zou zijn geweest, vereenigde hij in 1814 Noorwegen met Zweden, en streefde
meer om beide natiën, van welke ieder liare eigene staatsregeling heeft, met elk-
ander te bevrienden. In 1844 overleden, is zijn zoon Oscar 1 hem opgevolgd
in de regering, die erfelijk is in de mannelijke linie. Noorwegen heeft eenen
onderkoning, cn zijnen eigenen stor-tlizng, d. i. groote raad of vergadering.
Niettegenstaande de uitgebreidheid van den Z-vveedschen staat
vindt men er geen rivieren met een uitgestrekt stroomgebied; het
zijn enkel kustrivieren, die in de Oost- of de Noordzee uitloopen,
en meestal onbevaarbaar zijn. In Zweden zijn de voornaamste, de
Tornea^ Luléa, Pitea^ Umea Angerman-elv ^ Bal-elv qu ïIq Motala ^
die zich in de Oostzee ontlasten, en de Gota-elv (ook Clara- of Famunds-
e/?'], die in het Kattegat valt. Aanmerkenswaardige kanalen zijn het
Trolhätia-lcanaal en het nieuwe Gota-kanaal. In Noorwegen zijn de be-
langrijkste rivieren de Glommen., de Drammen., de Lonven en de
dale-dv, die in de Noordzee stroomen. In de IJszee ontlasten zich
de Allen-elv en de Tana-elv. In beide koningrijken zijn vele meren,
voornamelijk in Zweden: het Miller-meer, met 1300 eilandjes, het
met het Maler-meer zamenhangende Ujelmar-meer ^ het Wener-meer^
dat het grootste van allen is, en het Weiter-meer. In Noorwegen
heeft men het Mfósen- en het Fämund-meer.
Beide koningrijken zijn berglanden, hebbende geen uitgestrekte
vlakten. In het midden loopt, van het zuiden naar het noorden,
het Skandinavische gebergte, dat in het zuiden van Noorwegen zijnen
aanvang neemt, hoog in het noorden, in Lapland, aan de Tana-elv
eindigt, en het noordelijkste gebergte van Europa is. Het noorde-
lijkste gedeelte dezer bergen is bekend onder den naam van Kjölen
of K'ólen; het andere deel heeft geen algemeenen naam, maar wordt
door verschillende namen onderscheiden. Onder anderen behoort hier-
toe het gebergte Dovrefjeld ^ waaronder de Sneeuwhüttan (Hneeuw-
hoed) een berg is van 7700 voet hoog; ook nog het gebergte Long-
fjeid (het lange gebergte), dat den hoogsten der Skandinavische bergen
bevat, nog 200 voet hooger dan de zoo even gemelde, en waar men
de grootste ijs- en sneeuwvelden van Europa vindt. Dit gebergte
verdeelt Zuid-Noorwegen in eene oostelijke en westelijke helft, en loopt
dan langs de zuidkust van dit land, totdat het met het voorgebergte
Lindeniis eindigt. De toppen dezer bergen zijn ruwe rotsgevaar-
ten, met eeuwige sneeuAv overdekt, en vol ijsvelden. De bergen van
den tweeden rang, die takken van de lioofdketen uitmaken, zijn min-
der hoog, met geboomte of goede weiden bedekt, en bevatten ve-
lerlei delfstoffen. Langs de oostkust van Zweden strekt zich een
ontelbare schakel van eilanden en klippen uit, welke rij slechts zel-
den wordt ofgebroken, en die onder den naam van Schceren bekend