Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
JJKNEMAUKKN. 53
Laueuburg. Ook behooren tot Denemarken de Far-önr ('ie Is eiland) en
IJsland. De gezamenlijke oppervlakte van een en ander is 2859 vier-
kante mijlen, waarvan IJsland alleen ruim 1800 bevat. Het schier-
eiland van Denemarken wordt ton oosten bespeeld door do Oostzee,
waarin de Deensehe eilanden liggen, en welke zee met de Noordzee
(door de Denen Westzee geheeten) gemeenschap heelt door drie zee-
engten, namelijk den Sond, tusschen het Deensehe eiland Seeland en
Zweden, den Grooten Belt, tusschen de eilanden Seeland en Funen,
en den Kleinen Belt, tusschen Funen en Jutland; voorts door de groo^
tere zeeboezems het Kattegat, tusschen Jutland en Zweden, en het
Skager rak, tusschen Jutland en Noorwegen. De Far-öer en IJsland
liggen in het noorden van den Atlantischen Oceaan.
Groote rivieren zijn hier niet. Do Elbe bespoelt slechts een
klein gedeelte des lands. De Eider valt in de Noordzee, en de Ouden
in het Kattegat. Het kanaal van Kiel verbindt de Oostzee met don
Eider, en derhalve ook met do Noordzee. De voornaamste meren
zijn de Lymfiord (eigenlijk een zeeboezom), hot Arre-meer (eigenlijk
de inham van eenen zeeboezom), het het Äa^ieiurycr-meer
en het Schaal-meer.
De grond van Denemarken is vlak, somtijds heuvelachtig, maar
er zijn geen borgen, liet land is deels vruchtbaar cn vet laagland,
dat tegen de inbraak der zoo door duinen en aangelegde dijken be-
schermd wordt, gedeeltelijk ook zandig en dor. De Far-öer zijn
rotsen, die met eene aardkorst, ter diepte van eene cl, overdekt
zijn. IJsland is over het geheel bergachtig en rotsig, vol ijs- en
sneeuwbergen, klippen en vulkanen.
De lucht is in Denemarken gematigd en vochtig, docli niet on-
gezond. Op de Far-öer is zij des zomers zoor vochtig, doch des
winters minder koud, dan men wegens de noordelijke ligging zou
vermoeden; daarentegen is het op IJsland zeer koud.
Onder dc voortbrengselen van Denemarken komt vooral schoon
rundvee in aanmerking; het minoraalrijk is arm. De Far-öer en
IJsland brengen inzonderheid kleine paarden (hitten) voort. De in-
woners zijn meerondeels Denen, voor het overige Friezen, Daitschers
en Noren (op IJsland en de Far-öer). Zij sproken Beensch, Friesch
en Hal-Duitsch.
De heerschende godsdienst is de Luthersche; doch alle andere
Christelijke gezindheden, als ook de Joden, genieten vrije godsdienst-
oefening.
Het fabriekwezen is slechts middelniatig. Onder anderen heeft
men laken-, wollen-, kousen-, katoen- en linnenfabricken. De zee-
vaart en koophandel daarentegen houden een aantal menschen
bozig, en strekken zich ook uit tot landen, die buiten Europa zijn
gelegen.
Tot aan het begin van 1857 werd door Donomarken een tol gehe-
ven van vreemde schepen, die den Sond en de beide Belten passeer-
den, en gewoonlijk onder den naam van Sond-tol bekend was. Bij
een tractaat, den 14«'"" Maaït 1857 door de Deensehe regering onder-
teekend, is echter deze tol opgeheven, tegen eene schadeloosstelling
aan Denemarken, zijnde de uitkooring van een kapitaal, welks renten
gelijk staan met de gemiddelde opbrengst der regten gedurende de
vijf laatste jaren, berekend tegen 4 pCt. Ilet aandeel van Nederland
hierin bedraagt 1,400,000 riksdalers of ƒ 1,900,000.