Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
SKANülNAVië. 51
Oll een kustland te veroveren, dat den naam van hertogdom Noi-mandtfe ontving.
Dc Denen zouden bijna Engeland hebben veroverd, zoo niet de moedige Alfred
tegen bet einde der 9de eeuw meester van hunne benden was geworden. Evenwel
kregen zij onder Alfred's zwakke opvolgers nieuwen iilvloed op het eiland, cn
voeren met statige vloten onder hunnen koningSweno cn deszelfs opvolger Kanüt
den Groote over. Den laatsten, die zich ook van Noorwegen meester maakte,
gelukte het Engeland te veroveren, zooclat hij het bewind over drie rijken voerde,
llij stierf in 1036, en met hem zonk ook de Deensche grootheid, welke zijne zo-
nen niet in staat waren te handhaven. Engeland kwam weder aan het huis van
Alfred, en Noorwegen aan dat van Harald.
Intusschen verbreidde zich van Duitschland en Engeland af het Christendom,
inzonderheid sedert het jaar 1000. De voor Odin gestichte tempels werden
verlaten en geslecht, en even als de koningen, namen allengs de mcesten van
hunne volken, ofschoon ook met tegenstreving, den doop aan. Kanut was een
ijverig belijder van het Christendom.
De Noordsche midddeeuiven beginnen van het jaar 1000, en derhalve eeuw
later dan die van Duitschland. Even als hier en elders, bevorderde het Christelijk
priesterdom ook daar meer den aanbouw van het land cn de verbreiding van eenige
cundigheden door middel der schrijfkunst. Echter werd aan de oude volksvrijheid
dc nieuwe priestermagt en het met haar opgekomen begrip van voorrcgten des
leenadels gevaarlijk: alle vrijen, die niet welgesteld genoeg waren om er het hoofd
aan te kunnen bieden, zonken allengs tot een lageren stand terug. Het meest had dit
plaats in Denemarken en in de zuidelijke gewesten van Zweden, die tot het Deen-
sche rijk behoorden; terwijl verder noordelijk, in de armere gedeelten van Zweden
(Dalarna of Dalekarnië b. v.), en nog meer in Noorwegen, de boeren zich wis-
ten vrij te houden. Orde en veiligheid waren er echter niet. Onder het Heiden-
dom had men elkander bevochten; onder het Christendom deed men het ook.
Alleen waren bij voorkeur de voorname dienaars der hoven en de adel onder de
wapenen, en was de troonopvolging het onderwerp van den strijd. Nog uit over-
oudcn tijd hechtte men wel aan bevoorregte koninklijke huizen, maar regt van eerst-
geboorte was nog niet erkend. De grooten verlangden vrije keuze onder de zonen
eens konings, en dit gaf geharrewar. Hierbij kwam in Zweden nog de wedstrijd
van verschillende familiÖn, die sedert het uitsterven van het huis Ragnar Lod-
r>rok in 1060 naar de hoogste waardigheid streefden: dit waren de Stenkils,
vervolgens de familicn Swerker en Bonde, waarop in 1250 de Folkungers volg-
den. Het zwaard woedde onder de koningen: van 1250 tot 1363 werden vijf
Folkungers gewelddadig onttroond. Evenwel wies in dien tijd de Zweedschc magt.
Keeds Erik de Heilige( 1160), een Bonde, had eenen kruistogt over de Botnische
golf naar Finland gemaakt, en met invoering van het Christendom de onderwer-
l)ing der Finlandsche volken begonnen. Andere koningen volgden zijn voorbeeld,
en strekten de grenzen van hun rijk tot aan de Neva uit, terwijl zij de onder hun
juk gebragten met versehooning behandelden, ja hun zelfs persoonlijke regten
lieten, en aan de Zweedsche volksvertegenwoordiging lieten deelnemen.
In de I4de eeuw kwam een Zweedsche koning ook in Noorwegen aan de re-
gering, terwijl eindelijk diens schoondochter Margaretha van Denemarken, doch-
ter cn erfgename van Waldemar, door de grooten van allo drie de rijken tot
koningin erkend werd. To Calinar, in het zuiden van Zweden, werd eene for-
meele unie gesloten in 1397.
Dit had voor allen van de heilzaamste gevolgen kunnen zijn, indien de ver-
schillen in nationaliteit, die toch niet te scherp afstaken, hadden kunnen worden
uitgewischt. Het Zweedschc en het Deensche dialect, die zich thans verschillend
ontwikkeld hebben, waren toenmaals nog ongevormd, en elkander zoo gelijk, dat
er ligtelijk (gelijk later uit het Noorweegsch en Deensch) eene gemeenzame lite-
ratuur uit had kunnen ontstaan. Misschien ware dit ook geschied, indien de hoofd-
stad der drie rijken aan do zuidelijke kust van Zweden had gelegen. Nu echter was
Kopenhagen de residentie, en de Denen schenen het heerschende volk tc zijn,
hetgeen dc nationale trots der Zweden niet verdragen kon. Bovendien koos men
in Denemarken, toen Margaretiia's opvolger was afgezet, eigendunkelijk, zon-
der dat de Zweden er deel aan namen, in 1448 den Duitschen graaf Ciikistiaan
van Oldenburg tot koning. Misnoegdheid daarover gaf aanleiding tot nieuw op-
roer in Zweden. Het edele stamhuis Sten Stuiïe werd tegenover het Oldenburg-
sche gesteld, en velerlei gevechten hadden er plaats, tot eindelijk de Zweedschc
stenden, toen in 1520 de jongere Sten Sture gevallen wus, zich aan Ciiristiaan
(Ciiristirrn) II onderwierpen. Maar naauwclijks was er een jaar voorbij, of zij
wierpen het dwangjuk van dezen vorst, die zijnen eed had verbroken en de edelste
mannen van het rijk den dood doen ondergaan, met geweld af. Het hoofd vait
den opstand, Güstaaf Wasa, ccn neef van Sten Stdke, werd in 1523 op den
rijksdag to Strcngnüs tot koning gekozen en de Cr/hiarsche unie te Malmü opgc-
4*