Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
3G8 ALSTHALlë.
II. Ilet eiland Norfolk.
Dit ligt 270 m. van Port-Jackson, tusschen Nieuw-Caledonië en
Nieuw-Zeeland, en heeft zeer steile kusten, die het landen moeijelijk
maken. Het eiland, waarvan de hoogste top (de Pitt-berg) zich 700
voet boven de zee verheft, is geheel met boomen begroeid, op een
klein gedeelte na, dat aan den akkerbouw gewijd en welks klimaat
gezond is. Mais, aardappelen, koffij en tabak zijn van goede hoe-
danigheid, en aan de kusten heeft men uitmuntende visch. Sedert
1824 heeft men op dit eiland, waarbij ook de kleinere eilanden
Philipps en Naptan liggen, eene kolonie van gedeporteerden, die meest
allen den dood verdiend hebben; en sedert 1Ö54 hebben de bewo-
ners van het eiland Pitcairn zich hier gevestigd.
niiKU w-euin. Kyt.
Dit eiland, met de onderhoorige eilanden 13,000 v. m. groot,
werd in 1545 (derhalve van alle Zuidzee-eilanden het vroegst) door
Spanier ontdekt, en is nog weinig bekend. In het zuiden wordt
het door de straat Torres van Nieuw-Holland, en in liet oosten
door de Dampier-straat van Nieuw-Britanje gescheiden. In het
westen liggen verscheidene kleine eilanden, die in zamenhang met
de Molukken staan. De kusten zijn over 't geheel vrij steil, en in
het midden des eilands bespeurt men hooge, met sneeuw bedekte ber-
gen en rookende vulkanen, waaronder er zijn , wier toppen, naar schat-
ting , 13,000 voet bereiken. De producten zijn: varkens, paradijsvogels,
duiven, papegaaijen, zeeganzen, visch, kruidnagelen, gember, kokos-
noten, betel, sago, broodvrucht, bananen, pisang en bamboes. Men
heeft er ongebaande wouden, met boomen van 800 voet hoog. Ook
vermoedt men dat er goud is. De inlanders behooren deels tot het
Neger-, deels tot het Maleische ras, en hebben suiker- en banaan-
kweekerijen. Reizigers onderscheiden Papoea's, die aan de kusten
wonen en hoofdzakelijk van vischvangst leven, en Harafoera's of
Alfoeren, die men in de binnenlanden vindt en van een wreed en
wild karakter zijn. Tot de bezittingen der Nederlanden wordt de
geheele westkust gerekend, waar men het landschap Merkus-oord
vindt. Sedert 1828 hebben de Nederlanders aldaar een fort aange-
legd , du Bus geheeten, dat echter later weder geslecht is.
Volgens in Dec. 1857 met de landmail ontvangen berigten, heeft het gouverne-
ment in Nederlandsch Indië besloten tot eene wetenschappelijke zending naar
Nieuw-Guinea, met het oog op eene vernieuwde vestiging aldaar, en dien ten
gevolge waarscliijnlijk moer geregelde kolonisatie van dit zoo uitgestrekte eiland,
dat met de onderhoorige eilanden gerekend kan worden driemaal de oppervlakte
van Java te bevatten, nog bijna de helft grooter te zijn dan Suniatra, en slechts
eene bevolking telt van nagenoeg 600,01)0 zielen.
De zending zal zijn zamengesteld uit een kapitein der genie, een kapitein der
infanterie, een luitenant der le klasse bij Z. M. marine, een natuurkundige en
een teekenaar, en onder de leiding gesteld zijn van een der residenten in de
Molukken. De cuinmissie zal in het begin van 1858 reeds van een der Molukken
vertrekken, om aan den haar opgedragen moeijelyken last te voldoen, zoodat iu
de eerste maanden van 1858 de uitslag, zoo niet in alle bijzonderheden, dan toch