Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AUSTRALlë, 3G1
hen zijn de Negriios verwant; deze zijn echter kleiner, en zoo mo-
gelijk nog leelijker en dierlijker dan de Papoea's. 2. Het Mongoolsch-
Pelagische ras, op de Mariannen, Carolinen, Lage, Marshairs- en
Gilbert's-eilanden, is beschaafder dan het vorige, en levert inzon-
derheid bekwame zeelieden. Hun gezigt is innemend, hun ligchaams-
vorm klein en ineengedrongen; alleen de opperhoofden zijn rank
van statuur. Het haar is zwart, het voorhoofd smal, de oogen
staan schuins, de tanden zijn zeer fraai, de baard is dun, en het
vel citroengeel tot in het bruine. De vrouwen zijn klein, vleeschig
en vrij blank. 3. Het Hindoe-Kaukazische ras staat in getal en be-
schaving boven aan. Zij, die hiertoe behooren, zijn betrekkelijk
sclioon; hunne leest is rank en gespierd, hun hoofd welgevormd en
vol karakter, hunne kleur geelachtig tot in het blanke; onaange-
naam echter zijn hun groote mond, dikke lippen en stompe neus
met groote gaten. De vrouwen hebben kleine ooren, fraaije witte
tanden, groote oogen, en eene zekere sierlijkheid in haar geheele
voorkomen.
De Australiërs zijn grootendeels Heidenen; doch velen hebben ook
reeds de Christelijke godsdienst aangenomen, en maken sinds dien
tijd grooten vooruitgang in beschaving. Bij de nog onbekeerden heeft
men vele menscheneters.
De ontdekking van deze eilandcnwereld, hare natuur en bewoners, zoo als die
van tijd tot tijd heeft plaats gehad, leert men uit de bekende verzamelingen van
belan-rijko reisbeschrijvingen kennen. Niet alleen de aardrijkskunde, maar ook
de menschcnkennis heeft daardoor veel gewonnen.
Terwijl Spanje Amerikaansche landen onder zijn juk bragt, zetteden zich Por-
tugezen aon dc kusten van Afrika en in Oost-Indië neder, waar zij terstond be-
langrijke ontdekkingen deden. Reeds dertien jaren na den togt van Vasco de
(tama (in 1511), kuam Antonio Arrkn op de Molukken, cn anderen stevenden
noordwaarts tot aan Japan en oostwaarts lot aan Nieuw-Guinea. Zoo werd van
Oost-lndië af de Groote Zuidzee geopend, welke, van Amerika, door Fernan-
do Magklhakns het eerst in 1520, vervolgens door den Spanjaard Mendana drie
maal, tusschen 1567 en 1595, en door zijne landslieden Qdikos en Torkes in 1605
geheel doorvaren werd. Vele eilanden werden door hen bekend, ofschoon niet
met de noodige juistheid. De Portugezen overleefden intusschen hunnen roem.
Dat zij onder het juk van Philips II geraakten, was ook de ondergang van hunne
koloniën; want de nieuwe Nederlandsche republiek bestreed, behalve de Spaan-
sche zeemagt, ook die van Portugal, cn werd meester in de Oost-Indische wa-
teren. Van de eilanden, die zij aldaar veroverde, voeren hunne aanvoerders ver-
der naar het oosten, en vonden tusschen 1616 en 1619 eenige kuststreken van
Nicüw-Uolland. Abül Tasman, een van hunne beroemdste zeelieden, ontdekte
in 1642 Van-Diemcns-land (dat hij meende een gedeelte van Nieuw-Holland uit
te maken), Nieuw-Zeeland, eenige Vriendschaps-eilanden en Nieuw-Britanje.
Intusschen stond ook de Engelsche marine op, en WitxiAM Dampier, die tus-
schen 1683 en 1705 verscheidene reizen rondom de wereld deed, verwierf zich
bijzondere verdiensten, daar hij ook verrijking der wetenschappen in het oog had,
waaraan zijne voorgangers zich minder lieten gelegen liggen. De geest van zij-
nen tijd, die zich in de achttiende eeuw meer en meer ontwikkelde, bragt in
alle takken der natuurkunde groote navorschers voort. Elke vooruitgang in ster-
rekunde, natuurkunde, scheikunde, plantenkunde, enz., werkte weldadig op het
later gebruik maken van reizen. Men vond methodes uit om de lucht op de
schepen te verbeteren, water en proviand langer tegen bederf te bewaren, ja
zelfs zeewater zoo mogelijk drinkbaar te maken. De schepen werden meer doel-
matig gebouwd, verre zeereizen derhalve minder gevaarlijk, en dien ten gevolge
was men in de achttiende eeuw beter tot het onderzoek der Zuidzee-eilanden
toegerust. Toen lord Anson met de beschrijving zijner van 1740 tot 1744 ge-
dane togten veel goedkeuring inoogstte, gevoelde zich de Fransche geleerde
de Brosses daardoor genoopt er alle vroegere reivsberigten mede te vergelijken.
Hij deed dit in'zijne Uistoire d&s navigations aux terres Auslrales (17^6), en noo-
digde daarin alle zeemogendheden uit, om den Grooten oceaan nader te laten
onderzoeken. Die uituoodiging was voor dat oogcnblik vruchteloos: juist was de