Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AUSTRALIË.
Dit vijfde werelddeel, ook Oceanië en Polynesië genoemd, bestaat uit
eene menigte eilanden, die in den Grooten oceaan liggen (welke liier
den naam van Zuidzee draagt), tusschen den Oost-Indischen archipel
en Amerika. Een dezer eilanden — Nieuio-Holland ■— is bijna zoo groot
als Europa, en wordt daarom als vast land aangemerkt. Men schat
de geheele oppervlakte van Australië op 165,000 v. m., waarvan
142,000 op het zoo even genoemde vaste land komen. Vele der
kleinere eilanden bevatten bergen, die in lioogte met den Mont-blanc
gelijk staan. De grond van de meeste dier eilanden is vruchtbaar.
Tot nog toe is nog slechts het kleinste gedeelte dezer wereldstreek
juist bekend.
De producten uit het dierenrijk zijn niet zeer menigvuldig, be-
halve vogelen en visschen; van viervoetige dieren zijn er slechts
weinig soorten. Het plantenrijk daarentegen levert vele kostbare
voorwerpen op. Het mineraalrijk is over 't geheel nog weinig on-
derzocht; eene uitzondering hierop maakt het zuidoostelijk gedeelte
van Nieuw-Holland, waar men onlangs rijke goudmijnen heeft ont-
dekt en met goed gevolg ontgint. Ook sporen van zilver, tin,
lood, ijzer en koper heeft men reeds sedert lang gevonden. De
Europesche planten en dieren, welke men derwaarts heeft overge-
bragt , tieren uitmuntend; het klimaat is grootendeels aangenaam,
zuiver en gezond.
De geheele bevolking schat men op 3 millioen zielen, van welke
ruim de helft uit inlanders bestaat. De laatsten kan men in drie
hoofdrassen onderscheiden. 1. Papoea's of Zuidzee-negers. Deze bewo-
nen hoofdzakelijk Nieuw-Holland, Nieuw-Guinea en de ten oos-
ten daarvan gelegene eilanden, tot aan de eilandengroep Nieuw-
Caledonië, en maken den overgang uit tusschen Maleijers en Ne-
gers. Den laatsten gelijken zij in de kleur hunner huid en in hunne
wollige haren, niet echter in den vorm van hunnen schedel. Hun
ligchaam is welgemaakt, maar hunne beenen en armen zijn onge-
evenredigd dun en lang; hun neus is stomp, hunne lippen zijn dik,
hunne wangbeenderen hoog. Op den trap der beschaving staan
zij geheel onderaan; zij zijn niet eens jagers of visschers, en hunne
wildheid laat niets vermoeden, dat naar de minste beschaving
gelijkt. Wegens de warmte van het klimaat hebben zij geen
kleeding noodig; een klein schort van kokosvezels treft men door-
gaans bij hen aan. Terwijl andere eilanders zieh met kunst tatowe-
ren, beschilderen zij hun gezigt en ligchaam met schreeuwende kleu-
ren, die hun voorkomen inderdaad afschrikwekkend maken. Aan