Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
BE XOORDPOOLLANDEN. 313
ontzettend groot, vooral bij eenen noordoosteiiwind. De zomers zijn
zeer kort, maar aangenaam. In de dalen en lage streken wordt de
hitte alsdan zoo sterk, dat het pek aan het schepen smelt.
Groenland is arm aan producten; deze bestaan in groote honden,
veel watervogels, walvisschen, veel visch, laag wilgenhout, berken,
allerlei eetbare bezien, lepelblad, enz.
Het aantal bewoners is gering. De inlanders zijn Eskimo's, deels
Christenen, deels Heidenen, die hun onderhoud vinden in walvisch-
en robbenvangst en visscherij.
Groenland werd in 879 door Skandinaviers ontdekt: in 1721 werd
er door Haxs Egede eene Christen-kolonie gesticht. Thans behoort
Groenland aan Denemarken. Acht Deensche koopvaardijschepen be-
varen het jaarlijks, en buitendien ruim 300 walvischvangers van alle
natiën. De Denen hebben hier 18 koloniën en handelskantoren, als
Chribtianshaab, Godhaab, Juhanenhaab, enz,, en vier zendelingsplaat-
sen, als Niemo-IIernnhut, Lichtenfels, Lichtenau en Friedensdal.
Uchtenfels is de hoofdplaat«. — Ten oosten Tan Groenland ligt liet Jan-Mayen-
eiland, een inwendig brandende vnlkaan.
3. Rritsclie IVoordpoollandcn.
n. De Noord-Poollanden, in 1818 door de Engelschen ont-
dekt, aan de noordoostzijde der Baffinsbaai, zijn een ruw bergland,
arm in voortbrengsels, en door een klein getal Eskimo's bewoond ;
hier heeft men den JFalvisch-sound en den Smiths-sound.
b. De Poollanden ten westen der Bafffinsbaai, als:
Noord-Devon, in de laatste jaren door de Engelschen ontdekt, en van
do naastvolgende landen afgescheiden door den Lancaster-sound; en
Prins- WUliamsland (door de nieuwere aardrijkskundigen Baffinsland ge-
heeten), een groot en genoegzaam geheel onbekend land, waarschijn-
lijk uit verscheidene groote eilanden bestaande, tusschen de Baffins-
en de Hudsonsbaai. Het noordelijk gedeelte heet Cockburn-land, en
het zuidelijke Cnmberland.
c. De "Westelijke Poollanden. Deze landen zijn eerst in de
laatste jaren door de Engelschen Parry , Ross en anderen ontdekt.
Het zijn treurige landen , zonder bewoners; daartoe behooren de Noord-
George-eilanden, onder welke merkwaardig is het Melville-eiland met de
Winterhaven, waar Parky in 1819—1820 overwinterde, en andere
eilanden, benevens het groote schiereiland Boothia-Jelix, door Koss
op zijne poolreis van 1829 tot 1833 ontdekt, en dat door eene smalle
landengte verbonden is met het zuidwaarts gelegen vaste land van
Amerika, welk gedeelte van Ross den naam van Koning-Williains-
Innd bekomen heeft. Hierbij moet nog gewaagd worden van de door
Mac Clure in 1852 ontdekte Baring- en Prins-Alberts-eilanden en het
vroeger onbepaalde Banks-land, waardoor de noorder doorvaart
bewezen is.
Deze beslaan het uitgestrekt, doch dun bevolkt gebied, van de
Hudsonsbaai tot aan de Noordwestkustlanden, en worden ten noor-
den door de IJszee, ten zuiden door de Vereenigde Staten begrensd.
Do grootte bedraagt circa 100,000 v. m. Een gedeelte is het eigen-
dom, een ander het jagtgebied der Engelsche Hudsonsbaai-compagnie,
die er voor den pelterijhandel forten en factorijen heeft, bewoond
door hare dienaren of beambten. De bodem is in het zuiden bosch-
achtig; in hot noorden heeft men vlakke sneeuwvelden met mos. Do
Mackenzie (300 m. lang), de Kopermijn-rivier en de Groote Visch-riuier