Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
312 AMkiïIKA.
Wij wenden ons nu tot de boot-expeditie van 1855. Men weet dat op 22 Oeto-
ber 1854 Ür. Rae de ontwijfelbaarste getuigenissen omtrent het vreeselijk omkomen
van een gedeelte dezer expeditie naar Engeland bragt. Nu achtte Kae het een
heilige pligt verdere berigten in te winnen, en de Iludsons-baai-compagnie werd
reeds op 24 Oetober aangeschreven, om twee boot-expeditiën uit te rusten, van
welke de een den Mackenzie zou opvaren, om de manschap van Colunson op
te zoeken, terwijl de andere, tot het opsporen der overblijfselen van Franklin
en zijne manschap, de Groote Visch-rivier zou afzakken. De eerste taak bleek
weldra onnoodig te zijn door het berigt, dat kapitein Collinson weibehouden te
Port-Clarence in de Beringstraat was teruggekeerd. Men kon zich derhalve met
alle krachten aan de tweede onderneming wijden. Daar Dr. Rae verhinderd werd
aan het hoofd der expeditie te staan, werd het opzigt toevertrouwd aan Ander-
son en Steward, ambtenaren bij de Iludsons-baai-compagnie. Men hoopte op
den Eskimo-tolk Onligbück; maar deze kwam niet opdagen, zoo min als twee
andere tolken, op wie men rekende. Met het vruchteloos wachten hierop verliep
een kostbare tijd; want eerst 22 Junij begat de expeditie zich op weg tot de ge-
vaarlijke kanovaart in de Noordpoolzee, doch kwam, iu weerwil van alle hinder-
palen, op 30 Julij behouden aan den mond van de Groote Visch-rivier. Nu be-
gon men alles te onderzoeken, en ontdekte eindelijk op het eiland Montréal de
overblijfselen eener boot, waarop de naam van Franklin's tweede schip, Terror,
was ingebrand. Niet ver van daar vond men nog verschillende voorwerpen, die
blijkbaar van de omgekomenen afkomstig waren, als b. v. een eikenhouten sueeuw-
fichoen, waarop de naam van Stanlet, geneesheer op den Eribus, was ingesne-
den. Hier ontmoette men Eskimo^s, welke de expeditie vriendschappelijk te ge-
moet kwamen. Zij hadden de blanken of ten minste hunne lijken gezien, en le-
verden bereidwillig alles uit wat zij in de nabijheid gevonden hadden, als ketels,
blikken dozen, waarin ingemaakt vleesch bewaard was geweest, hamers, touwen,
een stuk vlaggedoek en overblijfselen van een mast. Daarentegen gelukte het niet
eenig geschrift of verslag te vinden; zelfs geen spoor van lijken of gebeenten der
omgekomenen werd ergens ontdekt.
De Noordpoollanden liggen in de Noordelijke IJszee, zijn bedekt
met ijs en sneeuw, hebben weinig voortbrengselen, en zijn in enkele
oorden slecht door een klein getal menschen bewoond, die tot den
stam der Eskivio^ s behooren en klein van gestalte zijn. Dergelijke
landen zijn:
1« Spifsberg^en.
Deze eilandgroep, die zich tot voorbij de 80o n. br. uitstrekt, ligt
ten noord-oosten van G-roenland, en is vol spitse, met eeuwig ijs en
sneeuw bedekte bergen. De langste dag en nacht duren er 4 maan-
den. De voortbrengselen bepalen zich enkel tot eenige soorten van
mos en kruiden. Gevestigde bewoners zijn er niet.
/
a. «Groenland.
Nog kortelings meende men, dat dit land uit verscheidene groote
eilanden bestond, die door met ijs bezette zeeëngten gescheiden zijn;
dit wordt echter door latere Noordpoolvaarders tegengesproken. Het
is omringd door de IJszee en de Baffinsbaai. De grootte is onbe-
kend. Het meest kent men nog de westkust; de oosknst, wegens
de vele ijsvelden en ijsbergen genoegzaam ontoegankelijk, is eerst
in de laatste tijden op eenige uitgestrektheid door enkele reizigers
onderzocht. Groenland is van gebergten doorsneden, die zich zeer
steil verheffen, en steeds met ijs en sneeuw bedekt zijn. De kusten
zijn door talrijke inhammen ingesneden en van ontelbare eilanden
en klippen omringd.
Het klimaat is des winters zeer koud. Tot aan den graad
n. br. is de winter nog te verdragen; maar noordelijker is de koude