Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
iïOö AMEUIKA.
lücraar der aardrijkskunde aan het pymnasium te Saint'Dié in Lotharingen, geheel
en al zonder voorkennissen medeweten van Amerigo Vicspucci. (*)
Do gedenkstukken van Amerika, die als getuigen eener eigenaardige beschaving
lier landzaten of oorspronkelijke bewoners zijn overgebleven, kunnen verdeeld
worden in gedenkteekenen uit eenen voor-historischen tijd en de zoodanige, die
in Mcjico sedert de 7de eeuw door de Tolteken en hunne opvolgers de Azteken,
in Peru sedert de 12ile of 13Je eeuw, onder de dynastie der Inka''s, opgerigt zijn.
Tolteken namelijk wordt een volk genoemd, dat, voor zoo veel uit de overle-
veringen der Azteken is op te maken, in de 5ile of Gde eeuw uit een noordelijk
gelegen land afzakte, zich in Anahuac nederzette, er in het midien der
ecnw de stad Tolan stichtte, en deze [tot middelpunt van eenen wel geordenden
staat maakte, die door veroveringen verder werd uitgebreid. De overblijfselen cr
van kan men als grootsche en volkomene bouwgewrochten beschouwen. De hoog-
ste bloei had het Tolteki^che rijk in de 4de eeuw van zijn bestaan bereikt; van
van toen af begon bet te zinken, tot eindelijk in het midden der 11de eeuw, on-
der koning Topitsin , len gevolge van veeljarige droogte, hongersnood en ziek-
ten, het land ontvolkt werd en de overgeblevenen naar elders trokken.
Azteken noemt men de landzaten vau Mejico ten tijde van de komst der Euro-
peanen in Amerika. Toen in de Ilde eeuw de Tolteken van dc plaats hunner
inwoning verdwenen waren, trokken talrijke ruwe horden der Chichemeken er
binnen, waarop in 1200 de meer beschaafde Acolhuas volgden, die het land we-
der begonnen te bebouwen en een bloeijend rijk, Acoluacan, stichtten. In het
begin der 13de eeuw bereikten de uit het noorden afkomende wdde Azteken de
dalen van Mejico, welke zij gedurende ruim eene eeuw als nomaden doortrok-
ken, ofschoon een tijd lang door de Colhuanen onder het juk gebragt, tot zy
eindelijk in 1325 de stad Tenoehlitlah — het tegenwoordige Mejico — bouwden.
Ondanks de inwendige tweespalt en voortdurende oorlogen met naburige volken,
nam toch de bevolking en vüsiigheid van hunnen staat toe. De Azteken vestig-
den hunnen naam als moedige krijgslieden. Toen wendde zich in het begin der
l.'jde eeuw Niczahualcoyotl, een begaafd vorst der Tolteken, aan Itscoatl ,
van 1423 tot 143G koning der Azteken, om hulp tegen de Tepaneken, welke de
eerste aan zich onderworpen en Tezcuco in bezit genomen haddeu. De hulp werd
v«irlcend, de Tepaneken verjaagd en het rijk van Tezcuco weder hersteld. Dit
duurde tot dc komst der Spanjaarden, toen eene eeuw lang alles tegen elkander
oorlog voerde, waarvan het einde was dat de Spanjaarden iu het bezit hunner lan-
den bleven.
Inka's heetten de vorsten van Peru vóór de verovering door de Spanjaarden.
De oude geschiedenis van dit land is echter even zoo donker als die van de
Nieuwe Wereld in 't geheel; doch ook hier hebben, gelijk overleveringen en
overblijfselen van grootsche bouwgewrochten getuigen, magtige volken geleefd, en
er moet eene groote beschaving geheerseht hebben, op wetkc ccn lang tijdverlooj)
van woestheid en verwildering volgde. Het rijk bestond vier eeuwen achtereen, en
dc 13de Inka verloor in 1533 zijn rijk en leven door de Spaansche veroveraars.
De oudheden van Amerika onderscheidt men gevoegelijk in Noord-, Zuid- en
Middel-Amerikaan.^che, die tevens drie verschillende trappen van beschaving ver-
tegenwoordigen. In Noord-Amerika be^^taan zij voornamelijk in omwallingen eu
kunsthcuvels, uit aarde eu steen gebouwd, die men in zoo grooten getale aantrett,
dat men zc dikwijls voor werken der natuur heeft gehouden; die van Zuid-Ame-
rika uit overblijfselen van reusachtige tempels en andere gebouwen. De belang-
rijkste gedenkteekenen der oudheid vindt men echter in Midden-Amerika, in Oud«
Mejico. Guatemala en Yucatan. Het zijn inzonderheid voortbrengselen van bouw-
en beeldhouwkunst, welke hier, hetzij op zichzelve, of vereenigd als overblijfselen
van crootc steden, den aanschouwer te gemoet treden.
Een ander overblijfsel uit den ouden tijd van Amerika zijn de Indianen ^ welk
woord eenvoudig inlanders of landzaten beteekent. Zij zijn in zeer vele natiën en
deze weder in stammen verdeeld; wij zullen van hen gewagen bij de onderschei-
dene landstreken of gewesten, waarin zij nog voorkomen.
Amerika grenst ten oosten aan den Atlantischen oceaan, waar-
van het zuidelijk gedeelte de Ethiopische zee heet; ten zuiden aan de
Straat van Magellan, die den Grooten oceaan met de Atlantische
(*) Dit voorstel is vervat in de eerste, anonlme, aan keizer Maximiliaajï in naam van het
gijtnnanum VosagC7ise te St. Didié opgedragene uitgave van het werk Cosmosraphiue introductio ,
ü. i. Inleiding der Wereldbeschrijting. Zie het art. van A. vox Hcmbolüt , Oter de oudtte
kaarten ran het Nieuwe Werelddeel en den naam Amerika, voorkomende in het Leeskabinet, voor
!«r)3, 2, of Dl. I, bladz. 82 en verv., en vooral de AntiquUatts Amcriranae, site Scripiores
septcjitrionales rcrum ante'Columbionaru7n. In 4to. niaj. Hafniao, 1837.