Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
mm.
AFRIKA.
De oude gcschicdeni. van dit werelddeel ligt geheel in het duister. Zeker be-
stond er in tijden, tot welke onze historische kennis niet opklimt, handelsverkeer
tusschen de bewoners ter wederzijde van de Arabische zee. Dit kan welligt aan
oud-Aziatische godsdienst-idecn cn krijgszuchtige landverhuizers , voor dat nog het
Brahmanisme zich volkomen ontwikkelde, den weg tot dc berglanden aan den Ta-
katze cn den Azrek hebben gebaand, waar karavaan-vereeuigingen en weldra
ook tempels en steden ontstonden. Natuurlijk baande de handel zich van daar
oen weg langs den stroom tuf^schen de woestijnen, en gaf allengs aanleiding tot
gelijke kolonisatie en veroveringen tot aan dc kust der Middellandsche zee.
Zoo ontwikkelden zich priesterlijke oorlogstalen eerst ten zuiden van de Nubische
woestijn onder de bruine Ethiopiërs, wier hoofdplaatsen Axum cn Meroe , ver-
volgens noordelijk onder do minder bniinc Egyptcnaren, wier hoofdplaatsen Thebe,
Memphis en meer andere werden. Aan het gering getal landzaten liet men ruwe
dier-aanbidding, onverschillig of zij katten, krokodillen, ibissen of andere beesten
vereerden; men gewende hun echter aan hunne nieuwe meesters gehoorzaam te
zijn, cn tempels voor de hoogere goden — Amon, Osiris, Isis eu andere — te
helpen bouwen. Dit was het begin der beschaving in het Nijldal, waar allengs
de ingekomenc begrippen en inrigtingen, overeenkomstig het klimaat cn de le-
venswijze, zich verder ontwikkelen,' en, door woestijnen bijna van alle andere vol-
keren gescheiden, een eigenaardig karakter aannamen. Inzonderheid was dit het
geval in Egypte, waar men in beschaving grooter vorderingen dan in Ethiopië
maakte, ofschoon beide volken elkander in denkbeelden en gebruiken volkomen
gelijk bleven. De priesterschap bekleedde den eersten rang; een derde van al
de land-eigendommen behoorde aan haar, cn dc koningen, hoe hoog ook door
haar vereerd, moesten zich toch naar gestrenge goddelijke voorschriften rigten.
Zij vormde dc opperste kaste, even als bij de Hindoes, en op haar volgde dio
der krijgslieden, insgelijks in het bezit van een derde van den grond. Dc fabri-
kanten met de handelaars, de schippers cn de herders maakten dc overige drie
kasten uit, dio onderling scherp waren afgescheiden. Alleen de leden der priester-
schap hielden zich met wetenschappelijke zaken bezig, terwijl alle werktuigelijke
arbeid aan het volk werd overgelaten. Bij den handel met vreemde landen gedroeg
de Egyptenaar zich lijdend: door karavanen ontving hij stofgoud, elpenbeen en
slaven uit dc binnenlanden van Afrika, rookwerk uit"Arabië, spcccrijën uit Indic,
wijn uit Phenicië, zout uit dc woestijnen, en hij liet daarentegen zijnen overvloed
van koren cn zijne uitmuntende linnen eu katoenen goederen door hen afhalen.
Van dc hofpracht der Pharao's of koningen, toen Egypte eindelijk (1550 j. v.
Chr.) een enkel rijk uitmaakte, gelijk mede van den invloed der priesters cu vau
den graad hunner beeldende kunst, getuigen thans nog dc onder den helderen
hemel van Egypte welbcwaarde bouwvallen, die uit ontzaggelijke pyramiden,tem-
pels, paleizen, obelisken, sphynxen en rotsgraven bestaan.
Over de duizend jaren hield zich deze merkwaardige staat, in weerwil van
eenige binncnland.sche omwentelingen, staande, tot hij in het jaar 525 v. Chr. in
de magt van den Pcrzischcn veroveraar Cambyses geraakte, en bleef van nu af
ten prooi aan vreemde vorsten, godsdienst en staatsbestuur. In 332 kwam Ali:xan-
DEu cn legde den grond tot de handelstad Alexandria, waarin na zijnen dood
de veldheer Ptolemecs eene Grieksch-Maccdonische regering stichtte. Onder
zijne opvolgers, die men alle Ptolemeörs noemde, was Egypte weder een on-
athankolijke staat, die aan Grieksche kunst en letterkunde deel nam, tot hij in
het jaar 30 v. Chr. eene Romeinsche provincie werd, cn van toen af vier eeuwen
aan Ilomeinschc, vervolgens ruim twee eeuwen, tot aan dc komst der Muzelman-
nen, aan Byzantijnsche stadhouders gehoorzaamde.
Geheel verschillend van Egyptische staatsvorm en levenswijze wns dc Karthang-