Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
256 AZiti.
Voor-Indic wordt gewoonlijk in 2 groote deelen gesplitst; name-
lijk Ilindostan, van het Himalaja-gebergte tot aan den Nerboeda,
en Bekan, of het schiereiland. AVij volgen echter, bij de beschrij-
ving,, de verdeeling volgens de heerschende magten,
A. Vrije Statfeii.
1. De staat van den Maharadzja Goelab-Sing.
Deze is het eenige overblijfsel van den vroeger onder Randziet-Sing zoo mag-
tigen staat der Sjeichs, die niet allen de gebieden van al de Sjeiehs-vorsten, maar
ook verscheidene provinciën van Afganistan veroverd en tot éénen staat vereenigd
had , welke het geheel noordwestelijlv gedeelte van Üost-Indië, van de rivier öetledzj
tot aan den Indus, bevatte, 6200 v. m. besloeg, en 7 millioen inwoners telde. Na
den dood van dezen uitstekenden vorst, in 1839, echter ontstonden de grootste
ongeregeldheden wegens de troonopvolging, die zoo ver gingen, dat het leger,
tegen den wil der regering, een oorlog met de Eng. O. I. Compagnie begon, die
echter voor de Sjeichs zoo ongelukkig afliep, dat in 1846 een gedeelte der Sjeichs-
landen, en in Ï8i9 het geheel, bij het Indo-Rritsche rijk werd ingelijfd, met uit-
zondering van het klein gedeelte, dat de Maharadzja GoEi.ab-èing bezit, doch
ook slechts als vasal van de Britten, daar hij de Engelsche opperheerschappij
hceft erkend cn jaarlijks eene soort van leenschatting moet betalen.
Dit gedeelte grenst aan Klein-Tibet en aan de andere zijde aan
het Indo-Britsche rijk, beslaat 1300 v. m., telt 1-^ mill. inw., en
bevat de volgende 2 provinciën:
1. Kohistan of het Bergland, Bzjamoe, residentie van den Maharadzja,
nabij den Tsjinat. Kangra of Nagorkote, versterkte stad aan den Rawi, heeft 7000
inw. In de nabijheid bevindt zich een beroemde Hindoe-tempel.
2. Kasjmier, weleer een gedeelte van Hindostan en later van Afganistan, is
een romantisch bergland, door den Himalaja en den Hindoekoesj omringd, van
den Dzjeloem of Behat doorstroomd, en wegens zijne heerlijke ligging, schoon
klimaat en rijkdom van producten het Indische paradijs genoemd. Kasjmier of
Serinagoer, hoofdst. aan den Behat; vroeger had men er prachtige paleizen en 150
a 200,000 inw., thans meestal ellendige hutten en eene bevolking van 40,000 zielen.
Het beroemdste gebouw is de groote moskee, die 60,000 personen bevatten kan.
De industrie der inw. levert fraai verlakt werkt, reukwateren, en inzonderheid de
wereldberoemde sjaals, die van de wol der geiten uit Tibet geweven worden.
Islamabad is eene koopstad aan den Izjeloem.
II. De staat Ne paal of Ne pa ul.
Deze wordt geregeerd door eenen radzja uit den stam der Gor-
ka's, is 2500 vierk. mijlen groot, en bevat nagenoeg 2| millioen in^v.
Het is een bergland aan de noordelijke grenzen van Oost-Indië.
Aan de noordzijde van Nepaul strekt zich het Himalaja-gebergte uit,
met de reeds genoemde Dhawalagiri, Kientsjien-dzjoenga en Deodhanga.
Chatmandoe, de hoofdst. aan de Bisjenmatty, heeft 30,000 inw. Lalita-Patan
hceft 25,000 inw., die uitnemend koper- en bronswerk vervaardigen. Bhatgang,
met 12,000 inw. en veel industrie, is tevens de hoogeschool der geleerdheid van
de Nepalezen Chiertipoer heeft 6000 en Uorkah, de stamplaats van de regerende
dynastie, 8000 inw. Moekicanpoer is eene sterke vesting. — Het vroeger aan
Nepaal behoorende, 200 v. m. groote vorstendom Sikiem ligt ten o. er van,
cn heeft een vorst, die thans niet meer aan Nepaal cijnspligtig is, maar sedert
1816 onder Britsche bescherming staat. De hoofdstad heet mede Sikiem.
III. De staat der Maharatten.
Van dezen eertijds zoo magtigen staat, welks erfvorsten onder
een algemeen opperhoofd stonden, dat den titel van Feisjwah droeg,
was, na de opheffing van het verbond der Maharatten, alleen de