Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
252 AZJë.
heen moest worden verlegd. Er werd bijgevoegd, dat de dzjogoen nergens in liet
geheele land, dan te Nagasaki, vreemdelingen dulden wilde; hier konden de Ne-
derlanders, als vroeger, hunnen handel drijven, onder voorwaarde dat het op-
perhoofd voortaan om het jaar moest worden vervangen, en alle handehartikelen
in het zelfde jaar van den aanvoer zouden worden verkocht. Op 21 Mei 1641
werd de factorij te Firado opgebroken en naar Desima verplaatst.
Aldas bleven slechts de Nederlanders gedurende twee eeuwen in het Japansche
rijk geduld en in het bezit van den Japanschen handel, doch streng bewaakt en
beperkt. De inlandsche kooplieden in de haven van Kagosima, in het vorstendom
Satzoema, op het eiland Kjoe-sjoe, drijven eenen zijdelingschen handel met Foe-
chan over Napakjang, in de jonken der Ljoe-kjoe-eilanden, waardoor zij een ge-
regelden aanvoer van vreemde koopwaren, waaronder Amerikaansche katoenen
goederen, erlangen. Die handel wordt, zoo men verhaalt, gevoerd met goedkeu-
ring van den prins van Satzoema, een lid der keizerlijke familie en opperheer
van de Ljoe-kjoe en Meia-cosima-groepen; en ondanks de strenge verbodsbepa-
lingen van de keizerlijke regering, wordt er, zoo men wil, toch door de koloniale
onderhoorigheden des rijks een vrij uitgebreiden sluikhandel met China en Rus-
land gedreven, ofschoon de Russische zeeofficier Laseman, die op last van kei-
zerin Catuarina 11 in 1792 Japansche schipbreukelingen naar Sjatsmaje (de voor-
naamste haven van Jeddo) had gebragt, een afwijzend antwoord ontving.
Rusland meende niettemin door Kamtsjatka, hetwelk onder Russische heerschappij
staat en nabij deze gewesten gelegen is, eerder dan andere Jiuropesche mogend-
heden aanspraak op toelating in Japan te kunnen maken, en te dien einde an-
kerde ook in 1804 het Russische schip Nalezjda {de JJoop) den Ssteii Oct. ouder
den Fapenberg, voor Nangasaki, aan boord hebbende den Russischen gezant Rb-
ZANov eu gevolg. Ueze poging, ofschoon door de Nederlanders aanbevolen, mis-
lukte echter wederom. De gezant Rezanov had gemeend over die verijdeling
van zijn pogen wraak te moeten oefenen, en de Russen bemagtigden nu eenige
Koerilen-eilanden, ten noorden van Japan gelegen. Vier jaren later namen dc
Japanezen maatregelen van wedervergelding, door den kapitein en de officieren
van een Russisch fregat gevangen te houden, welks oorlogsvaartuig gelast was
geweest het noorden van Japan op te nemen.
Engeland bevond zich, ten opzigte van Japan, in geen betere gesteldheid dan
Rusland. Vroeger reeds hadden de Engelschen herhaaldelijk pogingen gedaan
om den handel met Japan weder te openen, toen eindelijk in 1813 eeu Engelsch
eskader, Frankrijk en Holland vervolgende, van Java en zijne onderhoorighedeu
had bezit genomen. Daaruit volgde van zelf, meende men, dat de Nederlandsche
factorij te Nangasaki ook regtens aan Engeland kwam. Maar de Japanezen wei-
gerden volstandig het nieuwe opperhoofd te ontvangen, dat het Engelsch bewind
voor de zending naar Nangasaki bestemd had. En het Nederlandsche opperhoofd,
H. Doeff, wist door den bijstand, dien hij van de Japansche overheden kreeg,
zoo veel invloed te behouden, dat hij den Engelschen het hoofd kon bieden en
deze geweerd bleven, waardoor de Nederlandsche vlag, ondanks alle revoluiie-
stormen, vrijelijk in Japan bleef waaijen. Intusschen werd maar één Hollandsch
schip in Japan jaarlijks toegelaten.
Het opperhoofd van Japan is een erfelijke, onbeperkt regerende vorst, die de
stad Jeddo, op het eiland Niphon, bewoont; maar nevens dezen keizer trekt nog
een ander persoon de algemeene opmerkzaamheid en eerbied tot zich, te weten
de dairij die omstreeks 40 millioen zielen onder zijne geestelijke heerschappij telt.
Deze wordt als een God op aarde beschouwd. Al wat hij aanraakt, is heilig; hij
sterft niet, maar vernieuwt slechts van tijd tot tijd zijne ziel. De dairi bewoont
de stad Mjako, mede op het eiland Niphon gelegen, en heelt daar een prachtig
paleis, tenvijl zijn hof uit 22,000 priesters bestaat, die de dienst in 4000 tem-
pels, welke die stad telt, moeten verrigten. Nooit vertoont de dairi zijn gelaat
aan het volk. Het uitvoerend bewind is in handen van deu dzjogoen oi koeho
(opperveldheer), hoezeer hij zich de eerste onderdaan van den dairi noemt.
De Japansche taal is zacht, welluidend, en eene der meest be-
schaafden en volmaakten van Oostelijk Azië. Zij wordt in den Ja-
panschen archipel en op de eilanden Bonien in de Stille zee gespro-
ken; zij is noch aan de Chinesche, noch aan eenige andere oor-
spronkelijke Aziatische taal verwant. De Japanezen hebben eene
rijke, eigene letterkunde, lagere scholen, collegiën met hoogleeraren
voor de hoogere vakken van kunst en wetenschap, daaronder be-
grepen de wis-, sterre- en aardrijkskunde, en de voornaamste talen
van Azië en Europa. Te Jeddo werd op last van den keizer Tsoena-