Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
230 AZïë.
den Anti-Libanon bij Cesarea Philippi ontspringt, en zich in de Doode zee ont-
last.—Als gezondheidsbronnen komen nog in aanmerking: de vijver Beth-
esda, waarschijnlijk [eene staalwaterbron; de twee warme bronnen bij Tiberias
(48® Réanm.), die thans nog gebruikt worden; de bron bij Amatha, digt bij Ga-
dara, van 40® warmte, die almede thans nog bezocht wordt.
De ligging des lands, 4-—6® zuidelijker dan het zuidelijkste punt van Europa,
laat een vrij warm klimaat vermoeden, en het is daarom ook geene zeldzaam-
heid, dat de thermometer boven 30^ Réam. rijst, terwijl de hoogste deelen van
het gebergte slechts nu en dan eene temperatuur beneden O® hebben. De ge-
middelde temperatuur van Jerusalem bedraagt circa 14^. Het klimaat is veel ge-
lijkmatiger dan in Europa, en de jaargetijden onderscheiden zich minder door
de afwisseling van warmte en koude, dan door die van natheid en droogte. De
zoogenaamde winter brengt veel regen, zelden sneeuw, on dient tot verkwikking
der in de heete, wolkenlooze zomermaanden verdorde plantenwereld. De langste
dag duurt 14|, de kortste uren. De lucht is zeer gezond; van daar het zoo
dikwijls voorkomen van hoogen ouderdom en weinig ziekten. Landplagen waren,
en zijn nog heden ten dage, dikwerf voorkomende aardbevingen, overstroomingen
(Amos VIII, 8, IX, 5), vreeselijke stormen en heete van Arabië komende win-
den (Job I, 18; Zach. IX, 14: Ps. XI, 6; Ezech. XVII, 10), schielijke veran-
dering van weer (Amos IV, 6—11; Jer. XIV, 1; Gen. XII, 10), legers sprink-
hanen (Exod, X, Joël II), waterhozen eu groote droogte.
Wat voortbrengselen betreft, Josda en de andere afgezanten schilderen
Palestina af als een land, dat overvloeit van melk en honig, waar beken, bron-
nen en meren aanwezig zijn (Exod. III, 8, XIII, 5; Deuter. VIII, 7—9; Jes.
XXXVI, 17). Met deze berigten stemmen alle schrijvers, ook Grieken en Ro-
meinen, overeen. Uit het dierenrijk komen in aanmerking: sterke schapenfokkerij ,
van het ras der vetstaarten en met fijne wol; geiten met lang haar, dat tot velerlei
einde gebruikt kan worden; runderen, als last- en trekdieren en slagtvee (Salomo
had voor zijne huishouding dagelijks 30 stuks noodig) ; ezels, aan welke hier boven
paarden de voorkeur wordt gegeven; kameelen weinig; de honden waren, met
uitzondering der gedresseerde, veracht en bijna zonder meester; varkens werden
er alleen door Heidenen op nagehouden; voorts hoenders; bijen, zoowel wilde als
tamme; wilde dieren, als panters, zjakals (jakhalzen), wilde zwijnen, gazellen,
reeën, herten, stekelvarkens, aasgieren, schildpadden, chameleons, visch, enz.
Het plantenrijk leverde bovenal granen, veldvruchten van allerlei aard in over-
vloedige menigte; vele en goede ooftsoorten. waaronder men bovenal den be-
langrijken olijfboom moet rekenen; eindelijk wijn , de balsemstruik, vijgen, dadels ,
amandelen, cedérboomen, terpentijnboomen , den laurierboom, de katoenplant, enz.
Het binnenste der aarde verbergt onbetwistbaar aanzienlijke schatten van delfstoffen
(Deut. VIII, 9); doch mijnontginning is er nooit op groote schaal uitgeoefend , of-
schoon den bewoners het smelten en scheiden der metalen en ertsen niet onbekend was.
De bewoners zijn óf inlanders, óf vreemdelingen, die er zich gevestigd
hebben. De eersten worden in den Bijbel als een reusachtig geslacht afgeschil-
derd. De laatsten splitsen' zich in drie volksstammen, namelijk: Kanaanieten
(Pheniciërs), Philistijnen en Hebreërs.
De Kanaanieten worden verdeeld in vier hoofdstammen : 1. Amonieten, d. i.
bergbewoners, in het zuiden van Juda, en van daar verder zuidoostwaarts ver-
breid; 2. Chitteers^, d.i. dalbewoners, ten noorden van dezen in het West-Jordaan-
land woonachtig, waar zij als PÄemecrs worden aangeduid; 3. de eigenlijke ATawaa-
nieten, d. i. laagianders, in de vallei der Jordaan en aan de Middellandsche zee; zij
hadden weldra het overwigt over hunne broederstammen, zoodat hun naam bui-
ten's lands het eerst en het meest beroemd werd; 4. Chiveérs, d. i. stedelingen, die
van net midden des lands ten westen van den Jordaan tot aan de noordergrenzen
zich gevestigd hadden , met de hoofdstad Gibeon. Buitendien noemden de Kanaanie-
ten zich naar hunne hoofdsteden, b. v. Sidonieten, Hetläeten, Jeboesieten, Girgasie-
Un ((ïen.X, 15—20), en de splitsing ging zoo ver, dat Jos.XII, 9—24. alleen 31
koningen als overwonnen opgenoemd worden; bovendien hadden vele steden der
Chiveèrs een volkomen republikeinsch staatsbestuur, zonder koningen.
De Philistijnen zijn, zoo men wil, van het eiland Creta komen afzakken.
Zij waren van oudsher de meest verbitterde vijanden der Israëlieten, zoodat de
wederkeerige strijd van Josua tot den tijd der Makkabeërs, ofschoon dan ook
met tusschenpoozen, duurde. Zij waren voornamelijk landbouwers en ook koop-
lieden (Richt. XV, 5; I Sam. XIII, 20), en wederstonden de indringende Israë-
lieten zoo heldhaftig, dat geen van hunne vijf hoofdsteden verloren ging.
De Hebreen zijn van de voorposten afingedrongen, een weg, die veel later
ook door andere volken werd betreden, zoo als door Assyriers, Scythen, Tur-
ken en Mongolen. Van de Hebreërs maakten dc Israèlietm (Abuahaivi, Isaük
cn Jakob met zijne zonen) slechts ecn klein gedeelte uit, dat in 1888 vóór Ciiii.