Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AZIATISCH TURKIJE. 229
kust (Ier zee l>elioorilcn echter slechts omstreeks 20 mijlen tot het land, daar zoo-
wel de Philistijnsclie als de Thenische kuststeden de verovering wederstonden.
Wat de gesteldheid van den grond betreft (*), zullen wij eerst van de vlakten
spreken. l3c eerste vlakte is die aan den oever der Middellandsche zee, om-
streeks 20 mijlen lang, in het zuiden .5—6 mijlen breed, cn in het noorden tot
aan het gebergte Karinel hoe langer hoe smaller toeloopende. Het zuidelijk ge-
deelte der vlakte heet Sjcphetah (laagte), en was met de 5 steden der Philistij-
nen — Gaza, Askalotiy Asdod, Gath en Ekron —bezet; het noordelijk gedeelte —
van Joppe tot aan den Knrmel — heette Saron. De grond dezer vlakte wordt
als bij uitstek vruchtbaar afj^eschilderd, en werd met groote zorg bebouwd. Dc
tweede groote vlakte is de 12—15 mijlen lange en 1—mijlen breede vallei der
Jordaan, die aan vruchtbaarheid voor de eerste verre onder deed. De derde
eindelijk is de vlakte Jizreël (Esdrelon), die ten noorden van den Karmel aan-
do Middellandsche zee, vrij smal beginnende, het land in de rigting van het n.
w. naar het z. o. tot aan den Jox'daan, in meer en meer toenemende breedte,
doorsnijdt, en 6 mijlen lang is. Deze streek, welker schoonheid en vruchtbaar-
heid door alle schrijvers niet genoeg geroemd kan worden, was van oudsher het
tooneel van groote veldslagen, van Josua af lot den jongsten tijd; zij was het
ook, waar Jakob's groote kudden zich vermeerdereu. Ten noorden dezer vlakte
vindt men het bergland van Galilae, dat met den Anti-Libanon in verbinding
staat. Hier verheft zich de beroemde berg Thabor (Jos. XIX, 22; liicht. IV, 6;
Hos. V, 1) en de Berg der zaligspreking, waar Christus, zoo men wil, zijne
bergprcdikatic hceft gehouden. De zuidelijke zoom der vlakte Jizreël wordt be-
grensd door het schoone gebergte Karmely mijl in omvang, en circa 600 voet
lioog. Het is zeer vruchtbaar en welbewaterd, en diende, wegens de vele holen
(over de 2000), van oudsher aan vervolgden en vlugtelingen tot tocvlugtsoord
(Amos IX, 3), zoo ook aan Elias en aan David. Aan dit gebergte grenst ten
zuidoosten het gebergte E})hraïm, waarop men de bergen Garizim en Ebal vindt,
nagenoeg 1500 voet hoog, en van welke de eerste als plaats van aanbidding der
Samaritanen beroemd is (Joh. IV, 20). Ilet is buitengemeen vruchtbaar, en doet
voor het bergland van Galilea naauwelijks onder; alleen naar den kant van den
Jordaan is zijne afhelling ruw en dor, cn daardoor eene gewone verblijfplaats
van roovers. Voorts hceft men den berg Silo (boven de stad van gelijken naam),
den Neby Samwiely de hoogste van allen, waar men nog het graf van Samücl
aanwijst, en de (luaranlana, een bijna loodregte, circa 1400 voet hooge rots-
wand, vol holen, waar, volgens de overlevering, CiiRisrus door den duivel in ver-
zoeking gebragt werd. Zuidelijk zamenhangende, verheft zich het gebergte Juda
ter hoogte van bijna 3000 voet. Op hetzelve liggen de Sion en de 2560 voet hooge
Olijfberg. Het gebergte ten oosten van den Jordaan hangt met den Anti-Libanou
zamen, en draagt den gezamenlijken naam Gilead, met den ./Vcw/o, waar Mozks het
Beloofde Land overzag en stierf. (Deut. XXXH,40.) Valleijen zijn: hetdal A'c-
dron, tusschen den Olijlberg en Jerusalem; het heet ook Josaphat (dat is begraaf-
plaats des volks); het dal Uinnom, tooneel der Molochdicnsten (11 Kon. XXIIl,
10, en Jer. XIX, 2), ook Gehenna genoemd, d. i. verblijfplaats der veroordeel-
den; Repliaim of Reuzeiidal, tusschen Jerusalem en Bcthlehem; Eskol, ten westen
van Hebron , zeer wijnrijk; en anderen. Dc woestijnen zijn hier geen treurige wilder-
nissen; (als zoodanig komt alleen de streek voor, waar Jezds 40 dagen vastte, en
die nabij den hierboven genoemden berg Quarantana ligt;) zij zijn veeleer slechts
dun bevolkte en weinig bebouwde grasvlakten, die echter als weiden voor vee
meestal nog bruikbaar zijn. Daartoe behoort de woestijn bij Bethsaïda Julias, ten
oosten van het meer Genezareth (Luk. IX, 10; Job. Vl, 10; Matth, III, 1); de
woestijn Juda, van Bethlehem tot aan do Doode zee; de woestijn Betharea, tus-
schen Jericho en Bethel; de woestijn Engidi [l Sanmël XXIV).
De Middellandsche zee bespoelt circa 20 mijlen ver de kust des lands, en
vormt de haven van Joppe. Het noordelijk gedeelte der kust is steil cn rotsig,
het zuidelijke zandig en vlak. Meren zijn; Tl/erom, 2 mijlen lang cn 1 breed;
het is de kom, waarin zich de bronnen van den Jordaan verzamelen; Geneza-
reth, 3 mijlen lang, breed, zeer vischrijk, en in eene heerlijke, uitmuntend be-
bouwde landstreek; het ligt beneden den spiegel der zee, en was door een krans
van steden en vlekken omringd; de Doode zee, 10 mijlen lang, 3 breed, ligt
500 voet beneden den spiegel der zee, en heeft eene oppervlakte van 40 vierk.
mijlen. Zijne oevers zijn dor; in zijn zout water leeft geen enkel dier; maar een
verdichtsel is het, dat, uit hoofde zijner schadelijke uitwasemingen, geen vogel
over zijne oppervlakte heenvliegt. Van de rivieren komt alleen dc 25 mij-
len lange Jordaan in aanmerking, die dc drie genoemde meren verbindt, aan
(*) Men vergelijke hierbij de uitvoerige kaart van Vakstina, voorkomende in 11. Fuijlikk*
Nicuu-c Han-J-.1(las der Aarde.