Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
6 WISKUNDIGE AARDUIJKSBESCHKIJVINS.
de polen Iieeft men de twee houde luchtstreken. De zon is, bij de
bewoners van deze deelen der aarde, weder meer van liun toppunt
verwijderd, en door het zeer schuins nedervallen barer stralen
lieersclit aldaar de gestrengste koude.
Kunstige bollen, waarop deze vermelde pimten, lijnen en cirkels,
alsmede de omtrekken der verscliillende landen en zeeën, naar eene
verkleinde schaal afgebeeld zijn, heeten aardgloben. Afbeeldingen van
de gelieele aarde, of van gedeelten er van, op een effen vlak, hetzij
papier, doek of iets anders, worden landkaarten genoemd.
Op elke plaats der aarde, waar het gezigt niet belemmerd wordt,
vertoont zich rondom ons een cirkel, in welks midden wij ons bevin-
den. Deze is schijnbare horizont ot gezigteinder. Indien men zich ver-
beeldt , in eene lijn, van dit waarnemingspunt, in het middelpunt der
aarde verplaatst te zijn, en de geheele bovenhelft des aardbols als
afgesneden en weggenomen, dan staat men in het midden van eene
ronde vlakte der aarde, en de grenzen des hemels en der aarde ma-
ken alsdan voor den waarnemer den waren horizont uit.
Alle lijnen, welke naar een der vele punten van den horizont ge-
trokken worden, heeten wind- oï wereldstreken. De hoofdstreken zijn:
het oosten of de morgen, het zuiden of de middag, het westen of de
avond, en het noorden of middernacht. Deze hoofdstreken verdeelt men
weder in kleinere, meestal in 8, 16, 32 of 64. Wanneer men zich
juist op den middag regt tegenover de zon plaatst, dan heeft men
het zuiden voor zich, het noorden achter zich, het oosten aan de
linker- en het westen aan de regterhand.
Naarmate eene plaats verder van den evenaar verwijderd ligt, des
te grooter verschil merkt men op in de lengte der winter- en zomer-
dagen. Wanneer men gedeelten der aardrijks-oppervlakte beschouwt
ten opzigte van den duur des längsten dags aldaar, dan noemt men dit
wiskundige- klimaten oi landstreken. Men bepaalt hun getal op 36 ter we-
derzijde van de evennachtslijn tot aan de beide polen. In de landen,
onder den evenaar gelegen, zijn de dagenen nachten altijd even lang.
Hoe meer men zich van deze lijn verwijdert, zooveel te langer en korter
worden de dagen en nachten. De langste dag neemt met eiken graad
breedte toe, totdat hij onder de poolcirkels 'H uren bedraagt. Nog
digter aan de polen bereikt deze dag zelfs de lengte van eene of meer
maanden, en onder de polen is de langste dag zes maanden, en ge-
volgelijk de langste nacht even zooveel. Echter wordt de duisterheid
van den ontzettend langen nacht in laatstgemelde wereldstreken veel
verminderd door de langdurige schemering voor den opgang en na
den ondergang der zon, door de helderheid van de sneeuw, het
licht der maan, en het zeer menigvuldige en blinkende noorder- of
zuiderlicht.